Uitgangspunt is dat indien is gebleken dat er sprake is van een overtreding als genoemd in artikel 13b Opiumwet, de burgemeester handhavend zal optreden.
De, in het kader van het Damoclesbeleid relevante, taak van de politie is om de burgemeester te informeren door geconstateerde overtredingen en daarvan opgemaakte proces-verbalen bij hem te melden en verdere schriftelijke informatie aan hem te verstrekken, zoals het toesturen van een bestuurlijke rapportage of een Hennep Informatie Bericht.
De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van het handhavingsbeleid ingevolge artikel 13b Opiumwet.
De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning te definiëren. De burgemeester verstaat onder woning `een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat (die) daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot)`.
Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse en andere omstandigheden, zoals een inschrijving in de Basis Registratie Personen (de BRP).
Samengevat:
woning: een feitelijk voor bewoning gebruikte ruimte en het daarbij behorende erf.
lokaal: een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal en het daarbij behorende erf (zoals horeca-inrichtingen, winkels, loodsen, en/of bedrijfsruimten).
Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist. Op basis van artikel 5:27 Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is het bestuursorgaan dat een last onder bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een dergelijke machtiging. In het geval van artikel 13b Opiumwet is aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hij kan een schriftelijke machtiging verlenen.
Bij panden die aan verschillende personen worden verhuurd, zoals kamerverhuurpanden, kan worden overgegaan tot gedeeltelijke sluiting door sluiting van afzonderlijke kamers of een gedeelte van het pand. De rest van het pand blijft dan toegankelijk voor derden. Hierdoor worden bijvoorbeeld medebewoners, die niets met de overtreding te maken hebben, niet onnodig getroffen.
Op grond van artikel 31 Drank- en Horecawet dient een vergunning te worden ingetrokken als zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Leidinggevenden van het betreffende horecabedrijf zijn dan op grond van artikel 5, eerste lid van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet gedurende de eerstvolgende vijf jaar niet meer gerechtigd op te treden als leidinggevende in een horecabedrijf. Intrekking van de vergunning is een definitieve situatie. De vergunning wordt in beginsel alleen ingetrokken als de ondernemer mede schuldig is aan de drugshandel. Er moet dus sprake zijn van verwijtbaarheid aan de kant van de ondernemer. De maatregelen die kunnen worden genomen bij of krachtens de Drank- en Horecawet en de Algemene Plaatselijke Verordening, kunnen worden toegepast naast de maatregelen op grond van de regeling van artikel 13b Opiumwet en vice versa.
Bij afloop van de sluitingstermijn vindt in overleg met de eigenaar en bewoners een overdracht van de woning plaats. Is er ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde dan komt de betreffende woning in aanmerking voor een verlenging van de duur van de sluiting. De betrokkenen worden bij mogelijke verlenging opnieuw gehoord.
Soms is sluiting niet voldoende en zijn aanvullende maatregelen nodig om de leefbaarheid rond het gesloten pand te herstellen. De Wet Victor regelt het natraject van onder andere een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. De Wet Victor maakt het mogelijk om het beheer van een pand over te nemen (artikel 14 Woningwet) en daarna eventueel te onteigenen (artikel 77 Onteigeningswet). Het besluit tot beheer wordt genomen door het college van burgemeester en wethouders.
Met het inwerkingtreden van de wet Victor is een bepaling toegevoegd aan de artikelen 13b Opiumwet en 174a Gemeentewet. Sluiting van een pand op grond van één van deze artikelen moet nu zo spoedig mogelijk worden ingeschreven in de openbare registers, conform artikel 3:16 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 3:24 Burgerlijk Wetboek, waarin de koper beschermd wordt tegen onvolledigheid in de registers, is echter niet van toepassing.
Ook als verder geen gebruik zal worden gemaakt van het instrumentarium van de wet Victor, moeten sluitingen dus wel worden ingeschreven in de registers. In het Burgerlijk Wetboek is een bepaling opgenomen op basis waarvan men een huurovereenkomst kan ontbinden, wanneer een pand gesloten is geweest op grond van artikel 13b Opiumwet of 174a Gemeentewet.
De bestuursdwangmaatregel dient te bewerkstelligen:
het teniet doen gaan van de naamsbekendheid van het lokaal/woning als lokaal/woning waar drugs worden geproduceerd, verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, de loop naar dat pand te ontnemen, zodat klanten en dealers geen gebruik meer maken van dat pand voor de handel in drugs;
het buiten elke twijfel verheffen dat het pand niet beschikbaar is voor de productie, verkoop, aflevering of verstrekking van drugs;
herhaling van drugsproductie, -opslag en/of -handel voorkomen.
Bij de bepaling van de duur van de sluiting is de voorgeschiedenis relevant, waaronder die van de overtreder. Wanneer na een sluiting na verloop van tijd blijkt dat er toch weer in drugs wordt gehandeld, dan kan daaruit worden geconcludeerd dat de “loop” er kennelijk nog niet voldoende uit is gehaald. Dat rechtvaardigt een langere sluitingsduur bij herhaling van de overtreding. Dit geldt ook indien de vorige overtreding begaan werd door een andere dan de huidige overtreder, exploitant, bewoner of eigenaar of indien dezelfde overtreder, exploitant, bewoner of eigenaar op een andere locatie binnen de gemeente zijn illegale activiteiten voortzet. Dit betekent echter niet dat men tot in lengte van dagen geconfronteerd moet worden met een “misstap” in het verleden. Bij het bepalen van de termijnen van het meewegen van de voorgeschiedenis sluiten we aan bij de termijn van vijf jaren die door het Openbaar Ministerie worden gehanteerd. Recidive is aan de orde binnen vijf jaar na de daaraan voorafgaande overtreding.
Voor de uitvoering van het beleid is onderstaand handhavingsarrangement vastgesteld waarin de diverse verschijningsvormen van drugshandel met daarop de bestuursrechtelijke maatregelen zijn opgenomen. Om de naamsbekendheid van het drugspand en de aanloop naar de betreffende locatie teniet te doen, zijn de termijnen die in dit beleid zijn genoemd noodzakelijk. Sluiting is gerechtvaardigd ter bescherming van de openbare orde en het woon– en leefklimaat. Volgens jurisprudentie prevaleert dit algemeen belang boven het belang van de eigenaar.
Handel in harddrugs is een dermate ernstige verstoring van de openbare orde dat altijd direct tot sluiting wordt overgegaan. Indien er sprake is van handel in zowel soft- als harddrugs, wordt de maatregel opgelegd die geldt bij de constatering van handel in harddrugs. Indien handel in softdrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor de handel in harddrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering van handel in softdrugs. Indien handel in harddrugs wordt geconstateerd nadat er al een maatregel is opgelegd voor handel in softdrugs, wordt de maatregel opgelegd die hoort bij de tweede of volgende constatering voor handel in harddrugs.
In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de betrokkene(n) de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Daarnaast speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkene(n) van het pand waarin handel wordt geconstateerd geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het pand noopt.
Voor de toepassing van de in dit beleid opgenomen handhavingstappen is ook niet vereist dat een overtreding volgend op een eerdere overtreding door dezelfde persoon wordt begaan. Uitgangspunt is dat het bestuursrechtelijk optreden niet persoonsgebonden, maar pand-gebonden is. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat een persoon, na een eerdere constatering van drugshandel door deze persoon in een bepaald pand, zich opnieuw schuldig maakt aan drugshandel in een ander pand. In een dergelijk geval wordt bij de op te leggen maatregel de eerste constatering van drugshandel ten volle meegewogen en is de maatregel die hoort bij de 2e of volgende constatering van toepassing.
Uitgangspunt voor lokalen is dat bij het aantreffen van voor de handel bestemde drugs (in een grotere hoeveelheid dan voor eigen gebruik) altijd direct wordt gesloten. Indien er sprake is van (meerdere) verzwarende omstandigheden kan voor langere tijd worden gesloten, zie de indicatorenlijst.
Constatering
1e overtreding
2e overtreding (binnen 5 jaar)
3e overtreding(binnen 5 jaar)
Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs in een lokaal en/of op een bijbehorende erf
Sluiting voor een periode van 3 maanden
Sluiting voor een periode van 6 maanden
Sluiting voor een periode van 12 maanden
Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een lokaal en/of op een bijbehorend erf
Sluiting voor een periode van 6 maanden
Sluiting voor een periode van 12 maanden
Sluiting voor een periode van 24 maanden
Bij woningen grijpt een sluiting erger in op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). De beginselen als ‘recht op ongestoord woongenot’ (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)) en ‘huisvredebreuk’ rechtvaardigen een minder vergaande aanpak bij woningen. Zie paragraaf 2.2. voor de definitie van “kleine handelshoeveelheid”.
Constatering
1e overtreding
2e overtreding
(binnen 5 jaar)
3e overtreding
(binnen 5 jaar)
4e overtreding
(binnen 5 jaar)
Verkoop van dan wel aanwezigheid van minder dan 20 planten of minder dan 30 gram softdrugs (kleine handelshoeveelheid)
Schriftelijke waarschuwing
Sluiting voor een periode van 3 maanden
Sluiting voor een periode van 6 maanden
Sluiting voor een periode van 12 maanden
Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handels-hoeveelheid softdrugs
Sluiting voor een periode van 3 maanden
Sluiting voor een periode van 6 maanden
Sluiting voor een periode van 9 maanden
Sluiting voor een periode van 12 maanden
Verkoop van dan wel aanwezigheid van een handels-hoeveelheid harddrugs
Sluiting voor een periode van 3 maanden
Sluiting voor een periode van 6 maanden
Sluiting voor een periode van 12 maanden
Sluiting voor een periode van 24 maanden
Lokale feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven om af te wijken. De belangrijkste feiten en omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als verzwarende omstandigheden, staan in onderstaande indicatorenlijst vermeld. De indicatorenlijst heeft een alternatief en geen cumulatief karakter. Ook op basis van enkele indicatoren kan worden aangetoond dat er verzwarende omstandigheden zijn. De indicatorenlijst is nadrukkelijk een hulpmiddel. Voor toepassing van de maatregel moet uiteraard altijd eerst gekeken worden of voldaan wordt aan de criteria van artikel 13b Opiumwet en de voorwaarden zoals gesteld in dit beleid.
Aan de afweging om af te wijken kunnen de volgende indicatoren ten grondslag liggen:
de aangetroffen hoeveelheid middelen: de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet (in ieder geval een grotere hoeveelheid dan voor eigen gebruik, in aansluiting op de meest recente Aanwijzing Opiumwet van de Procureurs Generaal3Zie o.a. https://www.om.nl/organisatie/beleidsregels/overzicht-0/algemeen/@88338/aanwijzing-opiumwet-0/). In lijn met geldende jurisprudentie hierover, kan bij hoeveelheden als bedoeld in deze Aanwijzing aangenomen worden dat sprake is van handel (hetgeen een verzwarende omstandigheid is). Er hoeft dan geen sprake te zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking;
indicatoren van enige professionaliteit: de professionaliteit wordt afgemeten aan de aanwezigheid van attributen in het lokaal die wijzen op regelmatige handel in verdovende middelen, zoals de aanwezigheid van weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, verpakkings- en versnijdingsmaterialen en/of overige attributen die wijzen op beroeps- of bedrijfsmatige teelt zoals assimilatielampen;
de mate waarin de woning betrokken is geweest bij (eerdere) handel in verdovende middelen;
er is sprake van gewelds- of openbare orde delicten;
er is sprake van verboden wapenbezit en/of aanwezigheid van verboden wapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;
er is een vermoeden van betrokkenheid van de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n);
er is een vermoeden dat de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten t.a.v. de Opiumwet en/of de Wet Wapens en Munitie en/of antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, bedreiging of diefstal en dergelijke;
er is sprake van recidive bij de eigenaar/bewoner(s)/betrokkene(n), daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen op grond van artikel 13b Opiumwet;
er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld op Lijst I en II Opiumwet
de mate van gevaarzetting en de risico’s voor de bewoners, omwonenden en/of de omgeving;
de mate van overlast;
de aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt;
de aannemelijkheid dat behalve de woning en/of het lokaal of bijbehorende erf, nog een of meer andere locaties zijn betrokken bij de drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt;
overige feiten en omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband4Aannemelijkheid dat de aangetroffen drugs voor drugshandel in georganiseerd verband bestemd zijn, kan volgens de rechtspraak blijken uit bijvoorbeeld verklaringen van betrokkenen, onderzoek van de politie of uit ander bewijs zoals het aantreffen van verpakkingsmateriaal, sealbags gevuld met henneptoppen, vuurwapens met bijbehorende munitie, grote contante geldbedragen, een weegschaal of assimilatielampen (LJN BY5106, RvS, 5-12-2012, rechtsoverweging 2; LJN: BX5656, rechtbank Utrecht, 27-08-2012, rechtsoverweging 11)..
Dit is géén limitatieve opsomming. In concrete situaties kunnen andere overwegingen aan de afwijkingsbevoegdheid ten grondslag gelegd worden.
Van communicatie gaat een belangrijke preventieve werking uit. Daarom kan bij oplegging van iedere maatregel uit de handhavingsmatrix overwogen worden om hiervan via een persbericht melding te doen naar de media. Bij het opstellen van het persbericht wordt rekening gehouden met de privacy van betrokkenen en eventuele strafrechtelijke onderzoeken die plaatsvinden.
Naast de aankondiging van het besluit tot sluiting, wordt op/aan het te sluiten pand een kennisgeving geplaatst/bevestigd met daarop de melding “gesloten drugspand” of woorden van die strekking. Gelet op het doel van een krachtens artikel 13b Opiumwet opgelegde last tot sluiting en het feit dat een aankondiging daarvan op het pand kan bevorderen dat de loop wordt doorbroken, acht de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State dit middel acceptabel (Uitspraak ABRvS van 20 augustus 2014, nr. 201402336/1/A3). Hiermee wordt de reeds bestaande praktijk verankerd in het beleid.