Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.1

Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2018

1. Een cliënt kan binnen de kaders van de wet, het door de raad vastgestelde beleidsplan Wmo en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als: a. het college heeft vastgesteld dat er sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid of participatie als gevolg van een beperking, van chronisch psychische en/of psychosociale problemen, en b. de belemmeringen niet in voldoende mate kunnen worden opgelost door de versterking van de eigen kracht, gebruikelijke hulp, de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers, door gebruik te maken van een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd of van voorliggende of algemene voorzieningen. 2. Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening. 3. Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. 4. Het college kan beleidsregels stellen over de methodiek en de procedure waarmee de noodzaak tot het bieden van een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld

Rechtspraak bij dit artikel