In aanvulling op artikel 2.3.1 van deze verordening kan het college een maatwerkvoorziening, gericht op het versterken of behoud van de zelfredzaamheid of participatie weigeren, als naar het oordeel van het college:
a. deze, gezien de beperkingen van de persoon voor zichzelf of anderen, onveilig is, niet passend en/of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt;
b. sprake is van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven;
c. de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning niet meer kan plaatsvinden;
d. de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het bereiken van de resultaten;
e. de cliënt niet of onvoldoende wil meewerken aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kan worden, en hierdoor onnodig een beroep of een te zwaar beroep op de Wmo gedaan moet worden
f. de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening aan de cliënt te verwijten is;
g. de noodzakelijke maatwerkvoorziening niet leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert.
h. Er geen geschikte voorziening in natura verkrijgbaar is waardoor de gemeente niet in staat is deze te verstrekken.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.2
Weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2018