1. In aanvulling op artikel 2.3.1 van deze verordening kan een cliënt binnen de kaders van de wet, het door de raad vastgestelde beleidsplan Wmo en deze verordening, in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in verband met beschermd wonen en opvang, anders dan in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, als:
a. de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en,
b. er sprake is van een vermoeden van beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem, dan wel een combinatie van deze problemen.
2. Het college verbindt aan de opvang voorwaarden die te maken hebben met het bereiken van als noodzakelijk vastgesteld resultaat. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op:
a. de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteunings-behoefte;
b. de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsarrangement;
c. het naleven van de cliënt van de leef- en gedragsregels binnen de opvang.
3. Het college kan beleidsregels stellen t over de methodiek en de procedure voor het beoordelen van de noodzaak tot het bieden van beschermd wonen en opvang
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.3
Aanvullende criteria beschermd wonen en opvang
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2018