1. Instellingen borgen de volgende kwaliteit tijdens de door hen geleverde dienstverlening:
a. Veiligheid van cliënten en personeel. Het gaat hierbij om veilige gebouwen, veilig aanbod en veilig voelen. Kwaliteit van zorg. Het gaat hierbij om de inzet van effectieve methodieken; het inzetten van personeel dat in kennis, houding en vaardigheden deskundig is; het afstemmen van de ondersteuning op de behoeften van de klant en, indien meerdere aanbieders betrokken zijn bij het leveren van ondersteuning, het afstemmen van het geheel aan ondersteuning vanuit klantperspectief.
b. Cliëntgerichtheid: de ondersteuning wordt opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd in samenspraak met de cliënt en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger.
c. Doeltreffendheid: de ondersteuning biedt zicht op resultaten.
d. Doelmatigheid: De ondersteuner evalueert regelmatig zijn inzet in relatie tot het resultaat en stelt dit in het gesprek met de cliënt en zijn mantelzorger of vertegenwoordiger aan de orde. Deze uitkomst wordt betrokken bij de innovatie van de wijze waarop de ondersteuning wordt aangeboden.
2. De aanbieders moeten deze kwaliteitsborging vastleggen in een toetsbaar plan passend bij de aard van de ondersteuning. Op verzoek van de gemeenten overlegt de instelling dit plan.
3. Als een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
4. De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers voldoen aan de voor de functie vereiste kennis, houding, vaardigheden en wettelijke vereisen.
5. De aanbieder meet minimaal elke twee jaar de klanttevredenheid en betrekt deze resultaten bij de kwaliteitsborging.
6. De aanbieder heeft een procedure voor het indienen van klachten en informeert klanten hierover proactief.
7. Op verzoek van de gemeente geeft de aanbieder een overzicht van het aantal ingediende klachten.
8. De aanbieder betrekt cliënten en waar relevant mantelzorgers, bij het organiseren van de ondersteuning en is gehouden aan de Wmcz (Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen).
9. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning
10. Het college wijst een toezichthouder aan welke toeziet op de naleving van de in deze verordening gestelde kwaliteitseisen. De toezichthouder is gerechtigd om namens het college handhavend op te treden en maatregelen te treffen.
11. Het college kan ervaringsdeskundigen betrekken bij de invulling van de ondersteuning.
12. Het college kan nadere regels opstellen voor nadere invulling van dit artikel en de wijze waarop de invulling van de kwaliteitseisen wordt gewogen.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Kwaliteitseisen
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2018