Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2

Budget voor aanbieders van dienstverlening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2018

1. Indien de dienstverlening wordt uitgevoerd door een derde partij, dan stelt het college een redelijk budget ter beschikbaar voor de te leveren ondersteuning. Dit ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening. 2. Bij de vaststelling van het budget voor het leveren van een dienst houdt het college tenminste rekening met de kosten verbonden aan: a. de kosten van de beroepskracht b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. g. de afspraken die voortkomen uit het voldoen aan de Code Verantwoordelijk Marktgedrag. 3. Het college bepaalt voordat het inkoopproces van de dienst van start gaat of a. Het college een minimum prijs neerlegt die voldoet aan hetgeen gesteld is in lid 2 van dit artikel b. een vast prijs hanteert die voldoet aan hetgeen gesteld is in lid 2 van dit artikel c. de aanbieder vrij laat een prijs neer te leggen die voldoet aan hetgeen gesteld is in lid 2 van dit artikel 4. Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening korten als een niet of onvoldoende geleverde prestatie daar aanleiding toe geeft of vanwege het overschrijden van de normen zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). 5. Het college kan Nadere regels opstellen voor de invulling van dit artikel en de wijze waarop deze worden gewogen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel