Toetreding door een college dat nog niet deelneemt aan deze regeling is mogelijk op basis van een daartoe strekkend voorstel van het bestuur. Eerst na instemming van de colleges, na verkregen toestemming van hun raad voor het door hen te nemen besluit als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de wet, vindt toetreding plaatst.
Ook samenwerkingsverbanden kunnen toetreden. Het eerste lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing.
In geval van toetreding door een samenwerkingsverband wordt deze regeling enkel redactioneel aangepast zodat aan het algemeen en dagelijks bestuur van dat samenwerkingsverband gelijke bevoegdheden worden toegekend als aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten.
Aan de toetreding kunnen door het bestuur voorwaarden worden verbonden.
Een toetredend college of bestuur van een samenwerkingsverband is gebonden aan het dienstverleningshandvest als bedoeld in artikel 4 van deze regeling.
Het bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.
Artikel 21 Uittreding
Een college kan tot uittreding besluiten, na verkregen toestemming van zijn raad als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid van de wet.
De uittreding kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van enig jaar, met dien verstande dat tenminste een opzegperiode van één kalenderjaar na het besluit, bedoeld in het eerste lid, in acht is genomen.
Het bestuur regelt in een uittredingsregeling de financiële en andere gevolgen van de uittreding. Alvorens hieromtrent de besluiten hoort het bestuur de colleges van de deelnemers. Het bestuur neemt zijn besluit vervolgens met een twee derde meerderheid. Daarbij geldt in ieder geval als uitgangspunt dat de volgende kosten en bedragen voor rekening van de uittredende deelnemer komen:
de eenmalige kosten als gevolg van het uittreden;
de contante waarde van de door het uittreden ontstane meerkosten voor de overige deelnemers en de bedrijfsvoeringsorganisatie, gekapitaliseerd voor een periode van 5 jaar, te rekenen vanaf het moment van uittreding.