Voor de bestuurlijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, lijst I) en artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, lijst II) van de Opiumwet is in die wet het artikel 13b opgenomen.
Artikel 13b Opiumwet luidt als volgt:
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
Woningen of lokalen
In artikel 13b Opiumwet wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. Dit onderscheid is relevant bij de toepassing van de sluitingsbevoegdheid door de burgemeester op grond van deze bepaling. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 13b Opiumwet toegelicht dat de toepassing van de sluitingsbevoegdheid zeer ingrijpende gevolgen kan hebben voor de bewoners van een woning. De bescherming van het woonrecht is niet voor niets als grondrecht verankerd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).
Daarom geldt bij woningen als uitgangspunt dat bij een eerste constatering van verboden softdrugs, nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar wordt volstaan met een waarschuwing. Van dit uitgangspunt mag alleen in ernstige gevallen worden afgeweken. In lokalen is het grondrecht van artikel 8 EVRM niet in het geding. Of een ruimte als woning of lokaal moet worden aangemerkt in de zin van artikel 13b Opiumwet, is doorslaggevend of in de ruimte volgens de daaraan werkelijk gegeven bestemming gewoond wordt. Daarbij is niet de ‘planologische bestemming’ doorslaggevend – deze kan wel ondersteunend zijn, net als een BAG-registratie – maar het feitelijke gebruik van de ruimte en de bedoeling van de gebruiker met die ruimte. Een leegstaande woning kan, zeker als deze feitelijk alleen als drugspand wordt gebruikt, als lokaal worden aangemerkt. Het proces-verbaal van de politie kan voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de burgemeester dat de woning hoofdzakelijk als hennepkwekerij in gebruik was en dus als lokaal moet worden gezien.
Reikwijdte artikel 13b Opiumwet
Artikel 174a Gemeentewet (Wet Victoria) biedt mogelijkheden om op te treden tegen de illegale verkoop van drugs vanuit woningen. Artikel 174a Gemeentewet is echter niet meer toereikend. Voor gebruik van dit artikel moet steeds verstoring van de openbare orde worden aangetoond. Het voordeel van artikel 13b Opiumwet ten opzichte van artikel 174a Gemeentewet is het simpele feit dat als er sprake is van illegale drugshandel in of vanuit een woning/lokaal er al voldoende is om de woning/het lokaal te mogen sluiten. Hierbij hoeft niet te worden aangetoond dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde. Sterker nog, voor het ontstaan van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet, is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling niet eens vereist dat daadwerkelijk drugs zijn verhandeld. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs is hiervoor al voldoende (zie o.a. ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:472).Volgens diverse gerechtelijke uitspraken valt ook hennepteelt binnen de reikwijdte van artikel 13b Opiumwet.
Handelshoeveelheid drugs
In geval van een hoeveelheid van meer dan 5 hennepstekjes of –planten, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- en bedrijfsmatige hennepteelt. Er is dan geen sprake van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Er is bij hennepknipperijen, drogerijen en buitenteelt vaak sprake van meer dan 5 gram hennep of hasjiesj. In het geval van 5 gram of meer hennep of hasjiesj brengt dit het risico van overdraagbaarheid met zich mee. De burgemeester van Dalfsen beschouwt de aanwezigheid van meer dan 5 planten en/of meer dan 5 gram softdrugs als een handelshoeveelheid bedoeld voor het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn in de zin van artikel 13b Opiumwet.
In geval van harddrugs wordt gesproken van een handelshoeveelheid bij hoeveelheden groter dan 0,5 gram voor drugs die zich in gewicht laten uitdrukken. Voor GHB is dat voor een hoeveelheid groter dan 5ml van toepassing en voor XTC voor een hoeveelheid groter dan 1 stuks/pil. Enkel de aanwezigheid van drugs (lijst I en II Opiumwet) boven de normen voor eigen gebruik kan al voldoende rechtvaardiging vormen om de woning of het lokaal en de bijbehorende erven te sluiten.
Daar waar in dit beleid gesproken wordt over drugshandel, wordt evengoed bedoeld het daartoe aanwezig hebben van verdovende middelen, hennepplantages, -knipperijen, –drogerijen, en – drugslaboratoriums. Verder is van belang dat de werking van de Opiumwet zo ver reikt dat artikel 13b Opiumwet ook kan worden toegepast als het gaat om delen van de (hennep)plant indien de hars hier niet aan onttrokken is. Dat volgt uit artikel 1, eerste lid, sub b en lijst II van bijlage 1 van de Opiumwet. Ook geldt het Damoclesbeleid, artikel 13b Opiumwet, voor drugslaboratoriums (druglabs) en plaatsen waar grondstoffen aanwezig zijn voor het produceren van verdovende middelen.
Proportionaliteit en subsidiariteit
In deze beleidsregel wordt aangegeven hoe de burgemeester omgaan met zijn bevoegdheden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Uit het oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit is gekozen voor een getrapt optreden. Opgemerkt wordt, dat de burgemeester gemotiveerd kan afwijken van deze lijn.
Hoofdstuk
Artikel 1
Juridisch kader
Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Dalfsen (Handhavingsbeleid artikel 13b Opiumwet)