Om te bepalen of ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk en passend is, worden de volgende aspecten getoetst en/of gewogen:
1. verantwoordelijke gemeente: om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor het bieden van de ondersteuning wordt nagegaan welke gemeente als woonplaats geldt volgens het meest recente stappenplan woonplaatsbeginsel van de VNG.
Een individuele maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige en/of ouder(s) waarvan volgens het woonplaatsbeginsel de gemeente Leeuwarden verantwoordelijk is.
2. aard van de problematiek: er is sprake van opgroei- en opvoedingsproblematiek die een bedreiging kan vormen voor een veilig (cognitieve, sociale, emotionele en/of lichamelijke) ontwikkeling van de jeugdige.
Bij het bepalen van de mate van de opgroei- en opvoedingsproblematiek wordt gebruik gemaakt van de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) inclusief het ouderschapssupplement en het ordeningsprincipe Kind in Fryslân.
a. De ZRM is een instrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk in beeld te brengen. De ZRM heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën, Dagbesteding, Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk, Maatschappelijke participatie en Justitie. Het ouderschaps-supplement omvat de domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal-emotionele ondersteuning, scholing en opvang.
b. Het ordeningsprincipe Kind in Fryslân is een instrument dat vanuit dialoog tussen jeugdige en/of ouder(s) en betrokken hulpverleners bepaalt welke zwaarte van ondersteuning nodig is. Met behulp van het instrument wordt een inschatting gemaakt van de zwaarte van de benodigde ondersteuning. Er worden vier vormen onderscheiden: opvoedingsvragen, opvoedingsspanning, opvoedingsnood en opvoedingscrisis.
Indien er sprake is van opvoedingsvragen of opvoedingsspanning kan ondersteuning geboden worden vanuit algemene voorzieningen (zoals het Opvoedpunt) en/of de basisondersteuning. Indien er sprake is van opvoedingsnood of opvoedingscrisis kan ondersteuning geboden worden door middel van een individuele maatwerkvoorziening.
3. aanvaardbaar niveau: om het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling van de jeugdige te kunnen bepalen wordt het volgende gewogen:
a. Welk niveau past bij de mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s).
b. Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie met de jeugdige en/of ouders voordat er sprake was van een mogelijke bedreiging van een veilige ontwikkeling van de jeugdige.
c. Welk niveau staat in redelijke verhouding tot dat van personen in vergelijkbare omstandigheden en dezelfde leeftijdscategorie die zich veilig ontwikkelen.
4. eigen kracht: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) eigen mogelijkheden hebben om het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te kunnen bereiken of behouden.
5. gebruikelijke hulp: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kunnen bereiken of behouden.
Bij het bepalen wat gebruikelijke hulp is in de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) wordt het document ‘Hulpmiddel gebruikelijke hulp’ gebruikt.
6. mantelzorg: de mate waarin personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s) bereid en in staat zijn om mantelzorg te bieden en de mate waarin de mantelzorgers hierbij ondersteuning nodig hebben om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Dit wordt bepaald door de totale belasting (gebruikelijke hulp, mantelzorg, werk en persoonlijke omstandigheden) van de mantelzorgers.
Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de overheid en daarmee geen voorliggende voorziening. Er mag niet een bijdrage van mantelzorgers worden verlangd die ten koste gaat van baan, inkomen of welzijn.
7. vrijwilligers: de mate waarin de jeugdige en/of ouder(s) met de ondersteuning van vrijwilligers het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling kunnen bereiken of behouden.
8. voorliggende voorzieningen: de mogelijkheden voor de jeugdige en/of ouder(s) om een beroep te doen op algemene voorzieningen, wettelijke voorzieningen en collectieve voorzieningen die voorliggend zijn op de Jeugdwet, zoals: het Opvoedpunt, Passend Onderwijs, kinderopvang, ziektekostenverzekering, de Zorgverzekeringswet, Participatiewet en de Wet langdurige zorg.
9. algemeen gebruikelijke voorziening: de mate waarin het voor de jeugdige en/of ouder(s) als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft.
Bij het bepalen of een voorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) als persoon een algemeen gebruikelijke voorziening betreft, worden de volgende aspecten gewogen:
a. Had de jeugdige en/of ouder(s) als er geen sprake zou zijn van opgroei- en of opvoedproblematiek over de voorziening kunnen beschikken.
b. Past de voorziening volgens geldende maatschappelijke normen binnen het normale bestedingspatroon van de ouder(s).
c. Is er sprake van een plotseling optredende noodzaak van een voorziening, die zijn oorsprong vindt in de opgroei- en/ of opvoedproblematiek van de jeugdige en of ouder(s) (calamiteitenprincipe).
d. Is er sprake van een voorziening met omvangrijke kosten én geeft de ouder(s) aan dat de voorziening voor hem als persoon niet betaalbaar is, dan wordt onderzoek gedaan naar de financiële mogelijkheden van de ouder(s).
10. eerdere verstrekking individuele maatwerkvoorziening: de mate waarin de aspecten uit lid 2 tot en met lid 9 gewijzigd zijn ten opzichte van de eerder verstrekte individuele maatwerkvoorziening.
11. goedkoopst adequate voorziening: de mate waarin de voorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) aansluit bij het behalen van het resultaat.
Zijn meer mogelijkheden adequaat, dan wordt gekozen voor de, naar objectieve maatstaven, goedkoopste voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken, zonder dat zij de voorziening passender maken, komen niet voor toekenning in aanmerking.
12. deskundigenadvies: om te bepalen welke individuele maatwerkvoorziening het meest passend is, wordt advies gevraagd aan een deskundige (Zie artikel 1 lid 6). Een deskundige op het gebied van Jeugd dient in het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of het BIG-register opgenomen te zijn. BIG staat voor Beroepen Individuele Gezondheidszorg.
Indien het team Integrale Vroeghulp betrokken is of er sprake is van een bestaand hulptraject is het niet nodig een apart deskundigenadvies naast het advies van de betrokken hulpverlener in te winnen.
13. vorm van ondersteuning: Om te bepalen welke vorm van ondersteuning voor de jeugdige en/of ouder(s) toegankelijk en passend is worden naast de toetsing en weging van lid 1 tot en met 12 tevens de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. Ondersteuning vanuit het eigen sociaal netwerk of met inzet van vrijwilligers waar mogelijk, professionele ondersteuning waar nodig.
b. Een lichte vorm van ondersteuning waar mogelijk, een zwaardere vorm van ondersteuning waar nodig.
c. Kortdurende ondersteuning waar mogelijk, langdurige ondersteuning waar nodig.
d. Ondersteuning ten behoeve van het thuis (kunnen blijven) wonen waar mogelijk, ondersteuning in de vorm van Pleegzorg of Jeugdhulp met verblijf waar nodig.
e. Ondersteuning dichtbij het eigen sociaal netwerk waar mogelijk, ondersteuning op afstand van het sociaal netwerk waar nodig.
f. Ondersteuning middels een groepsaanbod waar mogelijk, individuele ondersteuning waar nodig.
TOELICHTING
In de gemeente Leeuwarden wordt gewerkt vanuit het Leeuwarder model.
Het model faciliteert als het ware de beweging van complexe of langdurige ondersteuning naar meer informele ondersteuning. Op de lange termijn is de verwachting dat dienstverlening dichtbij, eigen netwerk en wijkondersteuning leidt tot efficiëntere en effectievere dienstverlening en reductie van dure specialistische zorg.
De idee achter het Leeuwarder model is dat de mate van zelfredzaamheid bepaalt welke ondersteuning we willen inzetten. Dit vergt een andere benadering dan voorheen. Niet het model ‘vraag-aanbod’ maar het individueel maatwerk bepaalt of er toegang wordt gegeven voor professionele ondersteuning. Waarbij de meest kwetsbaren professioneel geholpen worden en de zelfredzamen in principe op zichzelf of hun netwerk zijn aangewezen. Ook geldt dat bij het bieden van ondersteuning meer dan voorheen gekeken wordt naar mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Wij willen toe naar een situatie waar ondersteuning dicht bij mensen wordt geboden. Wijk- en buurtgericht waar dat kan, stedelijk als dat beter past, regionaal als het effectiever is. We doen dit voor elk van de domeinen: Wmo, Jeugd en Participatie en waar mogelijk zoeken we de samenhang.
Het Leeuwarder model onderscheidt drie sporen van ondersteuning:
Zelf- en samenredzaamheid
Zelf doen wat je kunt of een beroep doen op het eigen sociaal netwerk. Maar ook vormen van samenwerking in de wijk tussen jeugdige en/of ouder(s) die zich bijvoorbeeld verenigen in wijkpanels of wijkcoöperaties. Dit kan zijn zonder tussenkomst van professionals of als daar wel behoefte aan is, in samenwerking met wijkpartners of andere professionals.
Basisondersteuning
Naast de jeugdige en/of ouder(s) bewegen ook professionals zich in de wijk. In het sociaal domein zet de gemeente de sociale wijkteams centraal, die met generalistische sociaal werkers zich richten op alle leefgebieden van de jeugdige en/of ouder(s). De sociaal werkers gaan er op af en werken door middel van signalering, facilitering, activering en waar nodig ondersteuning met als doel het bevorderen van de zelfredzaamheid en sociale cohesie in de wijk.
Aanvullende ondersteuning
Waar nodig zet het socia l wijkteam aanvullende ondersteuning in. De taken/activiteiten van de sociaal werkers zullen in de wijken worden uitgevoerd. Het sociaal wijkteam vormt een brug naar de jeugdige en/of ouder(s) in de wijk, functionarissen en andere professionals.
Artikel 12.
Algemeen toetsings- en afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp 2018 gemeente Leeuwarden