De bepalingen in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

a. fraudevorderingen die zijn ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht;

b. vorderingen die gedekt worden door pand of hypotheek voor zover die vorderingen op die zaken verhaald kunnen worden;

c. bijstand welke verstrekt is in de vorm van een lening;

d. vorderingen die zijn ontstaan, omdat belanghebbende later met betrekking tot dezelfde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.