Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.3

Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving

Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Uithoorn 2017

Voorliggend op de Wmo is een aanspraak op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wlz, Zvw of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Indien dit het geval is, zal er op grond van de Wmo geen maatwerkvoorziening worden verstrekt. Ook voorzieningen als kinderopvang en arbeidsvoorzieningen zijn voorliggend op de inzet van de Wmo. In de Wmo 2015 is dit minder concreet geregeld. Er staat in artikel 2.3.5 lid 5 dat een maatwerkvoorziening wordt afgestemd op rechten op grond van andere wetten. De Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015): De cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel Er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. In het algemeen geldt dat de cliënt die naar verwachting aan de indicatiecriteria voor de Wlz voldoet, maar geen indicatiebesluit aanvraagt, de gevolgen daarvan niet op de gemeente kan afschuiven. Als de cliënt geen Wlz-indicatie wil aanvragen omdat hij thuis wil blijven wonen, en als dat, met ondersteuning (door het eigen netwerk en door de gemeente vanuit de Wmo) naar verwachting ook verantwoord is, moet de gemeente deze omstandigheden onderzoeken. Dit maakt deel uit van het reguliere onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de cliënt. Daarbij kan het ook nodig zijn dat de gemeente overlegd met het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) als indicatieorgaan voor de Wlz en eventueel de zorgverzekeraar om die inschatting te maken. De beoordeling van de vraag of een cliënt voldoet aan de criteria voor de Wlz ligt namelijk bij het CIZ. Indien het CIZ oordeelt dat niet aan de criteria van de Wlz wordt voldaan kan iemand zich wenden tot de gemeente. Die moet dan op grond van de Wmo een onderzoek doen en zo nodig passende ondersteuning bieden. De gemeente mag in dat geval niet meer terugverwijzen naar het CIZ voor Wlz-zorg. Indien het CIZ oordeelt dat de cliënt wel in aanmerking zou kunnen komen voor een Wlz-indicatie, en de cliënt vervolgens weigert een indicatie aan te vragen, kan het college de cliënt daartoe niet dwingen. De beslissing om Wlz-zorg aan te vragen is uiteindelijk aan de cliënt zelf. Echter, het college kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening op die grond wel weigeren (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Voorbeelden van voorliggende aanspraken zijn: kinderopvang, arbeidsvoorzieningen en loophulpmiddelen (ziektekostenverzekering). Hulpmiddelen en woningaanpassingen voor zelfstandig wonende cliënten met een Wlz-indicatie vallen onder de Wmo 2015. Voor cliënten met een Wlz-indicatie die intramuraal wonen zonder behandeling zal de overheveling van hulpmiddelen nog plaatsvinden, maar niet eerder dan 1-1-2019. Voor de Hulp bij het huishouden gelden andere regels. Heeft de cliënt een indicatie voor verblijf op grond van de Wlz in de vorm van een Modulair Pakket Thuis (Mpt), een Volledig Pakket Thuis (Vpt) of een Persoonsgebonden Budget (PGB) dan valt de Hulp bij het huishouden ook onder de Wlz.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel