1. Het college ziet af van een verlaging als:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
b. de gedraging meer dan twaalf maanden voor de constatering daarvan door het college heeft
plaatsgevonden.
2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen wordt een
belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. De schriftelijke mededeling bevat in
ieder geval de reden(en) waarom een verlaging zou worden toegepast en de dringende reden(en)
op grond waarvan het college afziet van de verlaging.
4. Van een verlaging wegens een gedraging van de eerste categorie, bedoeld in artikel 7, artikel 8
van deze verordening kan worden afgezien en kan worden volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van de verwijtbare gedraging, tenzij het niet nakomen van
deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaren, te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing voor die gedraging is
gegeven.
HOOFDSTUK 1.
Artikel 4.
Afzien van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2018 gemeente Schiermonnikoog