3.1.1 Reserves instellen, wijzigen, toevoegen en onttrekken
Algemene beleidsregels zijn:
De raad stelt reserves in en besluit tot mutaties in, en het opheffen van de reserves.
De raad kan gedurende het jaar beslissingen nemen over reservevorming of mutaties daarin. Bijvoorbeeld als onderdeel van de vaststelling van een beleidsnota of een raadsbesluit, indien nodig aangevuld met een begrotingswijziging. Aanwending van de algemene reserve kan alléén plaatsvinden door het nemen van een expliciet raadsbesluit.
In het raadsvoorstel voor het instellen van een nieuwe reserve wordt ingegaan op het doel, de aard en omvang en de grondslag voor mutatie van de reserve.
Toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves vinden plaats via resultaatbestemming en niet binnen de programma's.
Reserves kunnen in principe niet negatief zijn. In theorie zou de algemene reserve een negatieve stand kunnen hebben.
De basisregel is dat het batig exploitatiesaldo en opbrengsten als gevolg van incidentele oorzaken, bijvoorbeeld de gerealiseerde boekwinst bij verkoop van aandelen of eigendommen, toegevoegd worden aan de algemene reserve.
3.1.2 Beleid algemene reserve
Zoals in hoofdstuk 2 reeds beschreven, hebben reserves en voorzieningen verschillende functies. Voor de algemene reserve is de belangrijkste de bufferfunctie en de financieringsfunctie. Om deze functies naar de toekomst in stand te kunnen houden zijn keuzes noodzakelijk.
Bufferfunctie
Om de bufferfunctie te kunnen vervullen, dient de algemene reserve van voldoende omvang te zijn om toekomstige tegenvallers op te kunnen vangen. Een algemene regel voor de bepaling van het minimale niveau van de algemene reserve is niet te geven. Een en ander hangt af van de wijze waarop de risico’s zijn afgedekt.
Normen die door gemeenten worden gehanteerd, zijn bijvoorbeeld een percentage van de lasten in de begroting of een vast bedrag per inwoner. Door de toegenomen aandacht voor risicomanagement baseren gemeenten de aan te houden reserve steeds vaker de aanwezige risico’s en een berekening van de financiële gevolgen die een risico met zich meebrengt.
De norm die op basis van artikel 12 Financiële Verhoudingswet wordt toegepast voor de absolute minimumpositie van de algemene reserve is de drempel voor de vrij te laten reserves (de zogenaamde artikel 12-norm). Deze drempel bedraagt 2% van de som van de uitkering uit het gemeentefonds (algemene uitkering plus integratie en decentralisatie-uitkeringen) en de OZB-capaciteit.
Keuze ten aanzien van de hoogte van de bufferfunctie van de algemene reserve:
De hoogte van de bufferfunctie van de algemene reserve te bepalen op basis van een vast bedrag per inwoner;
De hoogte van de bufferfunctie van de algemene reserve te bepalen op basis van een percentage van de lasten in de begroting;
De hoogte van de bufferfunctie van de algemene reserve bepalen op basis van de ratio
weerstandsvermogen.
Voor- / nadeel keuze:
Voordeel van keuze a. of b. is de eenvoud en de stabiliteit in beschikbare
weerstandscapaciteit (reserve). Nadeel is dat er geen relatie gelegd wordt met risico’s
waardoor niet bepaald kan worden of de beschikbare weerstandscapaciteit toereikend is.
Het voordeel van keuze c. is, dat de relatie gelegd wordt tussen risico’s en reserve
er geen te lage of onnodig hoge reserve aangehouden wordt. Nadeel is dat de
benodigde weerstandscapaciteit jaarlijks kan variëren met gevolgen voor de begroting.
Voorstel:
De hoogte van de bufferfunctie van de algemene reserve bepalen op basis van de ratio weerstandsvermogen (keuze c.) conform de methodiek zoals opgenomen in de nota weerstandsvermogen en risicomanagement van de gemeente Waadhoeke.
In de herindelingsscan opgesteld door Deloitte (dd. 7 september 2015) wordt de benodigde risicoreserve voor Waadhoeke voorlopig berekend op ongeveer € 11.000.000
Financieringsfunctie algemene reserve
Naast de bufferfunctie kan de algemene reserve een financieringsfunctie vervullen voor onvoorziene uitgaven, die niet samenhangen met risico’s maar de uitvoering van een onvoorziene taak of onvoorzien project mogelijk maken. Door hiervoor een bedrag op te nemen in de algemene reserve heeft de raad de mogelijkheid in bepaalde gevallen een beroep te doen op deze reserve. Doelstelling is dat er afspraken zijn over een minimale ruimte die weer aangezuiverd moet worden wanneer het niveau van de reserve onder het vastgestelde bedrag komt.
Keuze ten aanzien van de minimale hoogte van de financieringsfunctie van de algemene reserve:
Geen minimale hoogte toekennen aan de financieringsfunctie van de algemene reserve;
Wel een minimale hoogte aan de financieringsfunctie toekennen aan de algemene reserve op basis van een vast bedrag van € 4.000.000 (ongeveer € 100 per inwoner);
Wel een minimale hoogte toekennen aan de financieringsfunctie van de algemene reserve op basis van een % van de lasten in de begroting.
Voor- / nadeel keuze:
In de praktijk zullen er onvoorziene taken of projecten uitgevoerd moeten worden waarvoor de middelen niet per direct beschikbaar zijn in de begroting. Door de financieringsfunctie aan de algemene reserve toe te kennen wordt hierop geanticipeerd. Het voordeel van een vast bedrag is de eenvoud en stabiliteit.
Voorstel:
Een minimale hoogte aan de financieringsfunctie van de algemene reserve toekennen. Bepaal de minimale hoogte op een vast bedrag van € 4.000.000 (ongeveer € 100 per inwoner).
Samenstelling van de Algemene Reserve:
Ten aanzien van de presentatie van de reserves kan gekozen worden voor:
De algemene reserve presenteren als één bedrag waarin de buffer- en financieringsfunctie verenigd zijn;
De algemene reserve splitsen in een bedrag bufferreserve en een bedrag financieringsfunctie.
Voorstel:
De algemene reserve administratief als één bedrag presenteren met een minimum omvang van € 15.000.000 (€ 11.000.000 bufferreserve + € 4.000.000 financieringsfunctie). Door een minimumomvang vast te stellen ontstaat een dempend effect ten aanzien van fluctuaties in met name de bufferreserve.
Aanzuivering van de algemene reserve.
Wanneer de algemene reserve onder het vastgestelde minimum komt, wordt dit bedrag aangezuiverd. De termijn waarop een te lage algemene reserve (buffer- of financieringsfunctie) weer op peil gebracht moet worden, is vastgesteld op de planperiode in de meerjarenraming.
3.1.3 Beleid bestemmingsreserves
Op grond van het BBV heeft een bestemmingsreserve een bepaalde bestedingsrichting.
Hierbij kan een onderscheid aangebracht worden tussen enerzijds de bestemmingsreserves met een directe relatie tot de exploitatie, zoals de reserves ter dekking van kapitaallasten. Anderzijds zijn er de bestemmingsreserves waarin ‘spaargeld’ wordt gestort waaraan door de gemeenteraad een bestemming is gegeven, maar waarvan de bestemming gemakkelijker gewijzigd kan worden.
Om het beleid met betrekking tot bestemmingsreserves te formuleren dienen ook hier keuzes gemaakt te worden. Het algemene uitgangspunt is om het aantal bestemmingsreserves te beperken, zowel qua aantal als qua omvang. Dit uitgangspunt verhoogt de inzichtelijkheid van de specifieke reserves en de inzet van middelen.
Het instellen van een nieuwe bestemmingsreserve vindt plaats wanneer er sprake is van:
Een specifiek doel met een incidenteel karakter en;
Een onderbouwde noodzaak waaruit blijkt dat:
dekking uit de exploitatie onmogelijk of onwenselijk is (omdat er gespaard moet worden);
het niet gaat om het afdekken van risico’s waarvoor de Algemene Reserve dient.
De gehanteerde norm voor het niveau van bestemmingsreserves is de volgende:
De omvang van de bestemmingsreserves dient zodanig te zijn dat hieruit de toekomstige bestedingen kunnen worden gedekt. Wanneer de maximale omvang voor het aangegeven doel is bereikt dienen verdere toevoegingen achterwege te blijven.
Keuze ten aanzien van de wijze van vormen van bestemmingsreserves:
Eén bestemmingsreserve voor meerdere doelen
Per specifiek doel een bestemmingsreserve aanhouden.
Voorstel:
Afhankelijk van doel en noodzaak van een reserve kan het meer of minder wenselijk zijn om een specifieke bestemmingsreserve te vormen. Het voorstel is om afhankelijk van de situatie te kiezen voor een bestemmingsreserve voor meerdere doelen of voor een specifieke bestemming.
Bestemmingsreserve kapitaallasten
Voorheen konden investeringen met een maatschappelijk nut gedekt worden door eenmalige middelen. Door aanpassingen in het BBV worden alle investeringen vanaf 1-1-2017 geactiveerd. Op grond van het BBV is het niet toegestaan reserves in mindering te brengen op investeringen. Door het activeren van investeringen wordt de begroting structureel belast. In bepaalde omstandigheden kan het wenselijk zijn om eenmalige middelen te reserveren in een reserve ter dekking van de kapitaallasten.
Keuze ten aanzien van het vormen van bestemmingsreserves ter dekking van de kapitaallasten:
Vormen van één bestemmingsreserve voor het dekken van kapitaallasten van meerdere investeringen.
Vormen van bestemmingsreserves per investering voor het dekken van kapitaallasten.
Geen reserve(s) vormen.
Voorstel:
In principe geen bestemmingsreserve kapitaallasten in stellen, tenzij de omstandigheden zodanig zijn dat dit als wenselijk gezien wordt.
Evaluatie reserves
Zoals beschreven is het uitgangspunt om het aantal bestemmingsreserves te beperken. Daarom is het belangrijk de reserves regelmatig te evalueren en worden de bestaande bestemmingsreserves jaarlijks getoetst aan de volgende criteria:
Is het doel waarvoor de reserve gevormd is nog relevant?
Is de omvang van de reserve in overeenstemming met de gestelde doelen?
Opheffen reserves
Wanneer het doel, waarvoor de reserve ingesteld is, bereikt is of wegvalt en er nog een saldo resteert, dient er een nieuwe bestemming voor dit saldo vastgesteld te worden. Er kan voor twee bestemmingen gekozen worden.
Keuze ten aanzien van het bestemmen van het saldo van bestemmingsreserves waarvan het doel is gerealiseerd of weggevallen:
Saldo bestemmingsreserve toevoegen aan algemene reserve;
Andere bestemming toekennen aan het saldo van de reserve.
Het voorstel is om het saldo toe te voegen aan de algemene reserve waarna het vrij te besteden is.
3.1.4 Reserve grondexploitatie
De reserve grondexploitatie neemt een aparte positie in.
Projecten t.a.v. grondexploitatie zijn niet per definitie gericht op het realiseren van winst. Dit betekent dat het realiseren van evenwicht tussen inkomsten en uitgaven niet altijd haalbaar is. Daarom is er voor de specifieke risico’s ten aanzien van de grondexploitatie een ‘reserve grondexploitatie’ ingesteld. Positieve resultaten op winstgevende complexen worden na afronding van het gehele complex toegevoegd aan de reserve grondexploitatie.
Dit beleidskader is aangevuld met het 20% criterium: de reserve grondexploitatie wordt afgeroomd op maximaal 20% van de gezamenlijke boekwaarden.