Naar hoofdinhoud
3.2.1 Voorzieningen instellen, wijzigen, doteren en onttrekken Algemene uitgangspunten zijn: Het instellen, wijzigen of opheffen van een voorziening vindt plaats met een raadsbesluit, indien nodig aangevuld met een begrotingswijziging. Het kan voorkomen dat een voorziening moet worden gevormd op grond van het BBV, bijvoorbeeld voor een toekomstige verplichting of verlies, waarbij de raad niet vooraf heeft besloten om de voorziening in te stellen. In dat geval wordt de voorziening bij het vaststellen van de jaarrekening door de raad formeel bekrachtigd. In het raadsvoorstel voor het instellen van een nieuwe voorziening wordt ingegaan op het doel (inclusief de koppeling met een taakveld), de aard en omvang en de grondslag voor mutatie van de voorziening. De hoogte van de voorziening wordt bepaald door de onderliggende verplichtingen. Voorzieningen die worden gevormd om de (groot-) onderhoudslasten van een kapitaalgoed over een aantal jaren te egaliseren kunnen alleen worden ingesteld en gevoed op basis van een beheerplan van het desbetreffende kapitaalgoed. Dit beheerplan dient periodiek te worden geactualiseerd. Een voorziening heeft een verplichte bestedingsrichting. De bestemming van een voorziening kan niet gewijzigd worden. Dotaties aan de voorzieningen vinden plaats als last op het betreffende taakveld. Uitgaven worden rechtstreeks ten laste van de voorzieningen geboekt. Het college is bevoegd tot het doen van uitgaven ten laste van de voorzieningen conform de beheerplannen of achterliggende verplichting. Bij het opheffen van een voorziening valt het saldo vrij ten gunste van het betreffende taakveld. Daarna kan de raad aangeven waarvoor de vrijgevallen middelen ingezet worden. Wanneer een voorziening verplicht gevormd is en de achterliggende verplichting, het verlies, risico of specifieke besteding komt te vervallen, dan moet het college de voorziening opheffen en zal deze vrijvallen in de jaarrekening. De raad zal vervolgens formeel de voorziening opheffen bij het vaststellen van de jaarrekening. De raad kan ook beslissen een voorziening op te heffen wanneer de noodzaak daarvoor niet meer aanwezig is en in zijn geheel om te zetten in een bestemmingsreserve voor hetzelfde beleidsveld. Deze operatie dient dan te lopen via baten en lasten. De vrijval van de voorziening komt dan ten gunste van het resultaat voor bestemming. 3.2.2 Verplichte voorzieningen Voorzieningen worden gevormd conform artikel 44 van het BBV. 3.2.3 Facultatieve voorzieningen Het onderhoud van kapitaalgoederen kan in een bepaald jaar leiden tot hoge pieken in de uitgaven. Daarbij kan het voorkomen dat onderhoud aan kapitaalgoederen in het jaar van planning toch niet noodzakelijk is en het doelmatig is om het onderhoud uit te stellen naar latere jaren. Dit leidt tot fluctuaties in de begroting en kan er toe leiden dat het budgetbeheer voor onderhoud in de exploitatie niet altijd efficiënt en transparant is bijvoorbeeld doordat budgetten doorgeschoven moeten worden naar volgende jaren. Het instellen van onderhoudsvoorzieningen is een goede mogelijkheid om deze effecten te voorkomen. Keuze ten aanzien van het vormen van een voorziening voor het onderhoud van kapitaalgoederen: Het vormen van een voorziening per kapitaalgoed ter spreiding van ongelijkmatige lasten, gerelateerd aan de beheerplannen. Voorbeelden: voorziening wegen, voorziening gebouwen etc. Geen voorzieningen instellen en de ongelijkmatig gespreide lasten in de komende begrotingsjaren voor de te verwachten bedragen in de meerjarenraming opnemen. Voorgesteld wordt om facultatieve voorzieningen in te stellen voor kapitaalgoederen ter spreiding van ongelijkmatige lasten gerelateerd aan beheerplannen. Het beleid ten aanzien van vervanging van rioleringen is dat een spaarvoorziening wordt ingericht om alle vervangingsinvesteringen voor riolering uit deze voorziening te kunnen dekken.

Rechtspraak bij dit artikel