Als de eigenaar of houder van een hond, die op grond van artikel 3 van deze beleidsregels door de burgemeester is aangewezen als gevaarlijk, in strijd handelt met het aanlijn- en/of muilkorfgebod, en de hond vervolgens een nieuw bijtincident veroorzaakt, of de maximale dwangsom van artikel 4 van deze beleidsregels volledig verbeurd is en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is wordt de eigenaar of houder van de hond gevraagd om afstand te doen van de hond.
De eigenaar of houder maakt via een schriftelijke verklaring aan de burgermeester kenbaar dat hij/zij afstand heeft gedaan van de desbetreffende hond.
De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van een hond op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), als de in lid 1 genoemde situatie zich heeft voorgedaan en de eigenaar of houder van de hond niet vrijwillig afstand doet van de hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is.
Bij het in lid 1 omschreven afstand doen en lid 3 omschreven beslag van de hond kan in opdracht van de eigenaar of houder een risico-assessment worden afgenomen bij de hond, conform hetgeen is bepaald onder artikel 5 van deze beleidsregels.
Wanneer uit het uitgevoerde risico-assessment, als bedoeld in lid 5, blijkt dat de hond niet kan worden teruggeplaatst, resocialiseerbaar is, elders herplaatsbaar is of anderszins het risico op bijtincidenten kan worden voorkomen, wordt door de burgemeester besloten de hond te laten euthanaseren. Euthanaseren wordt uitsluitend gedaan door een daartoe bevoegde dierenarts.
De kosten van opvang, (medische) verzorging, gedragstest en eventuele overige noodzakelijke kosten na inbeslagname op grond van artikel 5:21 of artikel 5:31 van de Awb zijn voor rekening van de eigenaar/houder van de hond en worden op hem/haar verhaald. In de overige gevallen zijn de kosten voor de gemeente.