De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.
De belasting voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of zo dit later is bij de aanvang van de belastingplicht.
Indien de belastingplicht van de belasting voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b in de loop van het jaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar nog kalendermaanden overblijven. De kalendermaand waarin de belastingplicht ontstaat wordt voor de berekening van het aantal kalendermaanden geheel meegerekend.
Artikel 7
Ontstaan van de belastingschuld
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2018