Het straatbeeld wordt mede bepaald door de wisselende daklijnen en verschillende dakvormen. Hierdoor is sprake van een gevarieerd daklandschap. Vanaf de vestingwallen is dat goed zichtbaar. Een overdaad aan toevoegingen aan het dak zoals dakkapellen, opbouwen en dakterrassen kunnen dat beeld verstoren.
Uitgangspunt is dat de oorspronkelijke vorm en het gesloten karakter van een kap zoveel mogelijk behouden blijft om de hoofdvorm van een pand herkenbaar te laten. Nagenoeg elke kap is verschillend, dus is het belangrijk zorgvuldig om te gaan met vormgeving afgestemd op de kapvorm en de architectuur van het pand.
Voor zonnepanelen en -collectoren volstaan de richtlijnen zoals opgenomen in de uitwerking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2015 met betrekking tot dergelijke bouwwerken.
Een dakkapel biedt de mogelijkheid om ruimte te creeren in de kapverdieping. Dit kan op verschillen manieren, vanwege het historische straatbeeld is het gewenst de dakkapellen ondergeschikt aan het hoofdgebouw vorm te geven en te beperken tot het hoognodige. Dakkapellen of -opbouwen die de dakvorm te veel aantasten zijn niet gewenst.
Uitsluitend uitbreiding van de kap door dakkapellen. Geen dakopbouwen waarbij de nok wordt verhoogd.
Dakkapel is in maatvoering en vormgeving ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Geen nieuwe dakkapellen op monumenten.
Bij meer dan één dakkapel regelmatige rangschikking op een horizontale rij. Bij een individueel pand gecentreerd in dakvlak of in lijn met gevelindeling.
Plaatsing op het dakvlak en de afstand tot goot/dakvoet, nok en zijkant dakvlak afstemmen op architectuur pand en dakvorm.
Bij hoofvorm dakkapel rekening houden met aanwezige gevelgeleding. De geleding bij historische panden is vooral verticaal georiënteerd.
Dakkapellen in stijl van pand vormgeven. Hierbij is gebruik van zink voor zijwanden prima mogelijk.
Dakkapellen aan voorkant ondergeschikt aan pand vormgeven en beperken tot maximaal 30% van totale gevelbreedte.
< Meerdere dakkapellen aan de voorzijde zijn mogelijk mits de architectuur van het pand dat toelaat en passend vormgegeven.
Dakkapellen op het voordakvlak of zijdakvlak gericht op het openbaar toegankelijk gebied.
Dakkapellen op het achterdakvlak of zijdakvlak niet gericht op het openbaar toegankelijk gebied.
Op het voordakvlak of het zijdakvlak gericht op openbaar toegankelijk gebied:
Niet meer dan één dakkapel, tenzij de oorspronkelijke architectuur meerdere dakkapellen toelaat.
Hoogte maximaal 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord/daktrim.
Breedte maximaal 30% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 2.00 m., gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.
Op het achterdakvlak of zijdakvlak niet gericht op openbaar toegankelijk gebied:
Niet meer dan twee dakkapellen, tenzij de oorspronkelijke architectuur meerdere dakkapellen toelaat.
Hoogte maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord/daktrim.
Totale breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel.
Bij renovatie of vervanging van bestaande dakkapellen bestaande vorm en maatvoering behouden of nieuw en aangepast conform de richtlijnen.
Hoogte boeiboord maximaal 0.25 m., bij voorkeur met subtiele sierdetaillering/-rand.
Vormgeving, waaronder geleding en detaillering, passend bij de architectuur van hoofdgebouw. Bestaande rookkanalen en schoorstenen behouden.
Bij gekoppelde dakkapellen gelijke detaillering en kozijnen.
Voorvlak grotendeels gevuld met glas.
Zijwanden dakkapel zijn dicht en in een in het dakvlak wegvallende kleur, een donkere neutrale tint of wit. Zink als afwerking van de zijwanden is mogelijk.
Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.
Een dakterras moet zo ondergeschikt mogelijk worden vormgegeven en zo beperkt mogelijk zichtbaar vanaf de openbare plaats worden geplaatst zodat het geen storend element in het straatbeeld vormt.
Geen dakterrassen aan de voorkant (voor de voorgevellijn of grenzend aan openbaar gebied).
Dakterrassen aan de zij- en achterkant (achter de voorgevellijn en niet direct grenzend aan openbaar gebied) zijn mogelijk. In ieder geval zo onopvallend mogelijk en niet gericht op de vestingwallen.
Bij dakterrassen op uitbouwen dient de balustrade (inclusief de bevestigingspunten) binnen de dakrand te worden geplaatst.
Geen (losse/toegevoegde) constructies op het dak om een dakterras mogelijk te maken.
De balustrade maximaal 1.00 m. hoog en bij voorkeur open vormgegeven.
Balustrade zo neutraal mogelijk, bijvoorbeeld in een donkere kleur uitgevoerd. Geen felle, contrasterende en/of bonte kleuren.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.3.
DAKEN
Onderdeel van Beeld van de binnenstad; Beleidsnota gevels, reclame, terrassen en uitstallingen binnenstad Hulst, 2017