**1..** Het college legt een maatregel op in de hierna volgende gevallen:
als een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, dan wel
als belanghebbende de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW/IOAZ, en de Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) - met uitzondering van de inlichtingenplicht o.g.v. artikel 17 eerste lid van de wet, artikel 13 eerste lid IOAW/IOAZ en artikel 30c tweede en derde lid Wet Suwi - niet, of onvoldoende nakomt , dan wel
de verplichtingen die in de beschikking tot toekenning, wijziging of voortzetting van de bijstand of uitkering zijn opgenomen niet, of onvoldoende nakomt, en
als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet.
**2..** Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
**3..** De maatregel wordt toegepast op de bijstand, dan wel de uitkeringsnorm.
**4..** In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval vermeld:
de reden van de maatregel,
de duur van de maatregel,
het bedrag of het percentage waarmee de bijstand of de uitkeringsnorm wordt verlaagd en, indien van toepassing,
indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2
Opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW en IOAZ 2018