Naar hoofdinhoud
Dankzij een amendement van de Tweede Kamer is in de Wet BRP een bepaling opgenomen bij de aangifte van vertrek uit Nederland (artikel 2.43). Deze bepaling heeft tot doel om achterlating en uithuwelijking tegen te gaan. In een circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 juli 2014 (2014-0000354950) is dit onderwerp nader toegelicht. Als gevolg van dit amendement moeten alle mensen die naar het buitenland vertrekken, in persoon aan de balie verschijnen om aangifte te doen in het geval dat een ander op het ‘oude’ woonadres in de gemeente blijft wonen. De bedoeling van deze bepaling is om signalen van achterlating en uithuwelijking te herkennen. De bepaling is echter zo breed geformuleerd, dat dit ook (bureaucratische) verplichtingen tot gevolg in situaties die nimmer met achterlating en uithuwelijking te maken hebben. Als de letter van de wet wordt gevolgd, dan moet bijvoorbeeld ook de student die met meerdere studenten in een studentenhuis woonachtig was, in persoon bij de balie verschijnen als hij vertrekt naar het buitenland. Doet hij schriftelijk of via internet aangifte, dan moet die aangifte worden geweigerd. In plaats daarvan moet de gemeente ambtshalve zorgdragen voor de correcte registratie. Dat betekent het starten van een onderzoek, het kenbaar maken van het voornemen en het ambtshalve besluit om het vertrek (toch) te registreren. Bij de evaluatie van de Wet BRP is naar voren gekomen dat de uitwerking van het wetsartikel te drastisch is ten opzichte van het doel. Dit wordt in de volgende aanpassing van de Wet BRP gerepareerd. Sinds de inwerkingtreding van de Wet BRP (6 januari 2014), heeft de gemeente Zoetermeer naar letter van de wet gehandeld. Dat heeft extra administratieve lasten voor vertrekkende burgers en de gemeente zelf opgeleverd, terwijl de bedoeling van de bepaling in de meeste gevallen hier niet mee was gediend. Verschillende gemeenten hebben daarom deze nieuwe bepaling niet uitgevoerd of hebben een differentiatie in de werkwijze toegepast. Zo’n differentiatie heeft ook de gemeente Amsterdam toegepast: “In de geest van de wet werken: alle schriftelijke en digitale aangiften verwerken, als er geen familierechtelijke betrekking bestaat tussen de vertrekkende persoon en de op het oude adres achterblijvende personen”. Dat betekent dat alleen in het geval aangifte wordt gedaan van een vertrek naar het buitenland, waarbij één of meer familieleden achterblijven op het oude adres, wordt geëist dat de aangifte in persoon aan de balie wordt gedaan. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de bedoeling van de wet, maar wordt onnodige overlast voor de burger en de gemeente beperkt. De gemeente Zoetermeer voert deze Amsterdamse handelswijze sinds 2015 uit. Deze handelswijze blijft met dit beleidsdocument gehandhaafd totdat de Wet BRP is aangepast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel