Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10

Artikel 10.3

Budgetplan

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018

Wil de cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening en deze met een Pgb wil aanschaffen, geldt de verplichting om een Budgetplan op te stellen. Dat geldt in ieder geval als met het Pgb diensten worden ingekocht bij een niet door het college gecontracteerde aanbieder. In voorkomende gevallen omvat dat budgetplan in ieder geval: Aan wie het Pgb wordt besteed. Welke resultaten met de aan te schaffen of de in te kopen maatwerkvoorziening worden bereikt en hoe dat zal gebeuren. Deze moeten in ieder geval overeenkomen met de door het college vastgestelde te compenseren beperkingen. Hoe de geboden begeleiding bijdraagt aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Waaruit blijkt dat de aan te schaffen of de in te kopen maatwerkvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen die daaraan mogen worden gesteld. Hiermee worden de (al dan niet nader ingevulde) kwaliteitseisen bedoeld op grond van artikel 3.1 lid 1 van de wet. Uit het budgetplan moet dus blijken of degene die de begeleiding zal gaan bieden in kwalitatieve zin in staat is om het te bereiken resultaat te behalen. Dat is vanzelfsprekend mede afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt en hoe zwaar de beperkingen van de cliënt worden aangemerkt. Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een Pgb in te kopen begeleiding speelt ook een rol of de in te kopen maatwerkvoorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het Pgb in te kopen begeleiding efficiënt en effectief moet zijn om dat doel te bereiken. Het uitgangspunt van de Wmo 2015 is om burgers de te ondersteunen in het versterken van hun zelfredzaamheid, voor zover dat mogelijk is. Eenvoudig gezegd: iemand leren zichzelf te helpen. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is - gelet op de directe relatie - om de zelfredzaamheid van de cliënt te versterken door hem iets aan te leren. Het is in zo’n geval aannemelijk dat het aanleren meer kans van slagen heeft als het wordt uitgevoerd door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de cliënt staat. Dat geldt vooral als de te verlenen maatschappelijke ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Een reden daarvoor kan zijn dat de cliënt of zijn huisgenoot (bij gebruikelijke hulp) leerbaar is. Het college kan zich in voorkomende gevallen op het standpunt stellen dat professionele - door het college gecontracteerde - begeleiding in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een Pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval 6 maanden verstaan. Wel moet blijken op welke manier de cliënt wordt ondersteund, wat het te bereiken resultaat is en binnen welke termijn verwacht wordt dat te bereiken. Na afloop van de kortdurende periode zal het college evalueren wat het effect is geweest van het leren en dan (eventueel) opnieuw te beoordelen of nog begeleiding nodig is. Deze lijn wordt ook gehanteerd in de uitspraak van de Centraal Raad van Beroep (CRVB:2011:BU3228). Dat wil dus niet zeggen dat nooit een Pgb verstrekt kan worden, het gaat specifiek om een kortdurende periode waarin de cliënt iets wordt (aan)geleerd. Op grond van artikel 2.3.9 van de wet is het college bevoegd (verplicht) om besluiten, waaronder Pgb-besluiten te heroverwegen. Met name gelet op de verplichting van het Budgetplan ligt het voor de hand dat het college hier concreet invulling aan geeft. Bij een heroverweging beoordeelt het college of de doelen, zoals opgenomen in het budgetplan, ook daadwerkelijk zijn behaald. Het college bepaalt in het individuele geval binnen welke termijn het Pgb-besluit wordt heroverwogen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel