Een verzoek om in aanmerking te komen voor een Pgb wordt gedaan door de cliënt. Dat wil (ook) zeggen dat het in beginsel aan de cliënt is om te onderbouwen dat aan de voorwaarden wordt gedaan. Het college moet zich er vervolgens van overtuigen dat wordt voldaan aan de voorwaarden. Wordt het Pgb toegekend, dan kunnen aan het recht op een Pgb geen nadere voorwaarden worden opgenomen in de beschikking (RBGEL:2016:5090). Het spreekt voor zich dat de cliënt het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft en zijn medewerking verleend aan het onderzoek (art. 2.3.8 van de wet). In deze beleidsregels zijn een aantal uitgangspunten neergelegd die het college hanteert bij het beoordelen van de voorwaarden. De te beoordelen voorwaarden zijn cumulatief.
De eerste voorwaarde om voor een Pgb in aanmerking te komen gaat over de vraag of de cliënt Pgb-bekwaam is. Dat wil zeggen: is de cliënt -naar het oordeel van het college- op eigen kracht, dan wel met hulp van een persoon uit zijn sociaal netwerk of zijn aangewezen vertegenwoordiger, voldoende in staat te zijn om de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren.
Mocht het college van oordeel zijn dat de cliënt de aan het Pgb verbonden taken niet op een verantwoorde wijze kan uitvoeren, dan wordt het Pgb geweigerd. Dit is een besluit waartegen bezwaar kan worden maken.
Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de eerste voorwaarde worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De cliënt heeft kennis van de rechten en plichten die aan het Pgb zijn verbonden. De plichten hebben voornamelijk betrekking op de gevolgen als niet of onvoldoende wordt voldaan aan de uit het Pgb voortvloeiende voorwaarden. Denk vooral aan de terugvordering van het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen aan Pgb.
De cliënt is in staat om in ieder geval de geïndiceerde maatwerkvoorziening met het Pgb in te kopen. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat de cliënt weet waar (of bij wie) en op welke manier dat gedaan wordt. Daarbij kan het kunnen beoordelen van een vereiste opleiding ook van belang zijn.
De cliënt is in staat om een overeenkomst aan te gaan met de derde aan wie het Pgb wordt besteed. Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt (in geval van diensten) gebruik moet maken van één van de overeenkomsten die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ter beschikking stelt. In het geval van een hulpmiddel of een woningaanpassing beoordeelt het college of de cliënt in staat is een offerte op te vragen, te beoordelen en te accorderen en daarmee opdracht te geven tot levering of uitvoering van de overeengekomen opdracht. Daarbij geldt dat de overeenkomst ten minste moet aansluiten op de geïndiceerde maatwerkvoorziening.
De cliënt beschikt over het vermogen om de derde aan wie het Pgb wordt besteed aan te sturen. Dat wil zeggen dat de cliënt in staat moet zijn om te zorgen dat de afspraken in de overeenkomst door de derde worden nagekomen. In geval van een woningaanpassing beoordeelt het college of de cliënt in staat is om de oplevering te controleren?
De cliënt is in staat om een juiste administratie bij te houden. De cliënt is niet verantwoordelijk voor het beheer van het Pgb, dat is een taak van de SVB. De cliënt als budgethouder is wel verantwoordelijk voor het kunnen voeren en bijhouden van een juiste administratie.
Met dit overzicht is geen limitatieve opsomming beoogd.
In de volgende situaties is er sprake van een ernstig vermoeden dat de cliënt problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een Pgb:
er is sprake van schuldenproblematiek, waarbij bijvoorbeeld het risico bestaat dat er beslag wordt gelegd op het Pgb;
er is sprake van een gok- of drugsverslaving;
er is sprake van sterke vergeetachtigheid.
Met dit overzicht is geen limitatieve opsomming beoogd.
Het kan voor komen dat de cliënt zelf niet Pgb-bekwaam is maar dat een persoon uit het sociaal netwerk dan wel de wettelijke vertegenwoordiger beschikbaar is dit over te nemen. In die gevallen beoordeelt het college of die persoon Pgb-bekwaam kan worden geacht. Daarbij neemt het college in het bijzonder de mogelijkheid van terugvordering van het Pgb in aanmerking omdat de cliënt immers budgethouder is van wie wordt teruggevorderd. Indien de persoon zoals hier bedoeld ook degene is aan wie het Pgb zal worden besteed, beoordeelt het college of deze belangenverstrengeling in de weg kan staan aan het toekennen van een Pgb.
Op grond van de tweede voorwaarde moet de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de maatwerkvoorziening als Pgb geleverd wenst te krijgen. Zo’n verzoek zal mede worden gedaan op basis van de voorlichting die het college heeft gegeven tijdens het onderzoek ná de melding (art. 2.3.2 lid 6 van de wet).
Het is niet toegestaan om bijzondere eisen te stellen aan deze voorwaarde. Er mag bijvoorbeeld niet worden verwacht dat de cliënt moet motiveren waarom een door het college contracteerde aanbieder (in natura) de geïndiceerde maatwerkvoorziening niet kan bieden. Het belang van de motivering is er wel op gericht zodat het college kan beoordelen of de cliënt niet onder druk van de persoon die
De derde voorwaarde om in aanmerking te komen voor een Pgb gaat over de kwaliteit van de maatwerkvoorziening die met het Pgb wordt ingekocht. Het college moet dus in ieder geval beoordelen of wat de cliënt inkoopt veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en waar dat uit blijkt. Het spreekt voor zich dat de cliënt daarbij aangeeft en desgevraagd aantoont aan welke derde de cliënt het Pgb wenst te besteden. Dat vloeit rechtsreeks voort uit de inlichtingen- en mede-werkingsverplichting van de cliënt (art. 2.3.8 van de wet).
Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de derde voorwaarde worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. Daarnaast kan het zijn dat de cliënt wordt verplicht een budgetplan op te stellen (zie verder hierna).
De begeleiding compenseert in ieder geval de door het college vastgestelde beperkingen en de bijbehorende doelen/resultaten.
De ondersteuner die (al dan niet werkzaam via een professionele organisatie) de geïndiceerde begeleiding biedt, beschikt over een relevante opleiding. Bij het ontbreken daarvan dient - op een voor het college verifieerbare wijze - te worden aangetoond dat deze ondersteuner over relevante werkervaring beschikt. Denk bijvoorbeeld aan referenties die kunnen worden gecontroleerd.
Afhankelijk van de aard en omvang van de geïndiceerde begeleiding, gelet op de beperkingen en kwetsbaarheid van de cliënt dient de ondersteuner te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze verklaring mag niet ouder zijn dan 12 maanden voorafgaand aan de aanvang van de begeleiding.
Afhankelijk van de aard en omvang van de geïndiceerde begeleiding gelet op de beperkingen en kwetsbaarheid van de cliënt dient de ondersteuner te beschikken over een meldcode als bedoeld in artikel 3.4 van de wet.
Met dit overzicht is geen limitatieve opsomming beoogd. Het spreekt voor zich dat de criteria mede afhankelijk zijn van de dienst die met het Pgb wordt ingekocht. Zo ligt het bijvoorbeeld niet voor de hand dat het college voor de inzet van huishoudelijke hulp (zware) opleidingseisen of het beschikken over een meldcode stelt.
Indien de via een Pgb in te kopen begeleiding wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk die ook huisgenoot is van de cliënt, geldt:
dat een Pgb alleen mogelijk is in die gevallen waarin deze begeleiding de gebruikelijke hulp overstijgt (boven-gebruikelijke hulp); en
dat het college vaststelt dat of de persoon door het bieden van de begeleiding niet overbelast zal raken of dreigend overbelast te raken. Denk vooral aan situaties waarin het bieden van toezicht een onderdeel is van de indicatie.
Verder hanteert het college bij personen uit het sociale netwerk (al dan niet een huisgenoot) de volgende uitgangspunten:
Er is voldoende ‘professionele’ afstand tussen de cliënt en de persoon uit het sociaal netwerk. Daarbij neemt het college in ieder geval de aard, omvang en het doel van de begeleiding en de beperkingen van de cliënt in aanmerking (zie verder onder het kopje ‘doeltreffendheid’).
De kwaliteit van de te bieden begeleiding voldoende is en of de begeleiding aansluit op de indicatie.
Bij de keuze is op geen enkele wijze druk is uitgeoefend op de cliënt bij zijn besluitvorming. Het belang van de cliënt die met een Pgb eigen regie wil behouden staat altijd voorop. Verder zal moeten worden beoordeeld of de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de geïndiceerde begeleiding te bieden. Onderdeel van die beoordeling is of de kwaliteit van de geboden begeleiding voldoende is gewaarborgd en zo ja, waaruit dat blijkt.
Met dit overzicht is geen limitatieve opsomming beoogd.
In het geval degene die de cliënt vertegenwoordigt bij de uitoefening van de aan een Pgb verbonden taken ook degene is aan wie het Pgb zal worden besteed, kan er sprake zijn van belangenverstrengeling die in de weg staat aan het toekennen van een Pgb. Dit tegen de achtergrond van de kwaliteit van de te compenseren beperkingen van de cliënt. Degene aan wie het Pgb wordt besteed heeft immers een belang in het kader van zijn eigen inkomen. Echter is het Pgb geen inkomensondersteuning maar dient ter compensatie van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie (bijv. RBNNE:2016:2911). Het college beoordeelt in ieder geval of er door de derde op enige wijze druk op de cliënt is uitgeoefend bij zijn besluitvorming.
In tegenstelling tot diensten lopen Pgb’s voor woningaanpassingen niet via de SVB maar worden door het college aan de uitvoerder van de woningaanpassing uitbetaald. Het spreekt voor zich dat de uit te voeren woningaanpassing veilig moet zijn. Om die reden geldt als kwaliteitseis dat de aannemer die de woningaanpassing uitvoert beschikt over het BouwGarantKeurmerk.
Hoofdstuk 10
Artikel 10.2
Voorwaarden/wettelijk kader
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018