Bij het verlenen van hulp bij het huishouden gelden de volgende beleidsuitgangspunten.
Met uitzondering van de hulp met betrekking tot ‘de was’ geldt het volgende uitgangspunt. Voor de ‘hulp bij het huishouden overig’ gaat het college uit van de vooronderstelling dat de cliënt gebruik kan maken van beschikbare algemene voorzieningen, zoals een maaltijdservice, of van algemene gebruikelijke voorzieningen zoals kant-en-klaar maaltijden en de boodschappendienst van de supermarkt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken en dat zo nodig nader te onderbouwen dat dit niet het geval is (vergelijk CRVB:2011:BR6634, CRVB:2012:BY2147, CRVB:2013:2205, CRVB:2014:4276 en CRVB:2015:97). Voor wat de opvang voor kinderen geldt in het algemeen de vooronderstelling dat gebruik kan worden gemaakt van diverse vormen van opvang (zie art. 7.3 lid 3 aanhef en onder e van de Verordening).
Van de hier bedoelde vooronderstellingen wordt natuurlijk niet uitgegaan indien (op voorhand) tijdens het onderzoek blijkt of vast is komen te staan dat de cliënt geen gebruik kan maken van de bedoelde ‘voorliggende’ oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan iemand die is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet of dusdanige beperkingen heeft dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt niet kunnen worden geopend en/of in de magnetron kunnen worden gezet. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Voor hulp bij het huishouden geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels.
Ook geldt vanzelfsprekend dat er geen andere oplossingen mogelijk (kunnen) zijn die problemen bij een schoon en leefbaar kunnen voorkomen of oplossen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3 ‘Beoordeling aanspraak’ van deze Beleidsregels. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804). Mogelijk is ook dat een deel van de huishoudelijke taken door de cliënt zelf wordt gedaan en voor een ander deel ondersteuning door het college wordt geboden.
Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking zodat de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (te) volle vensterbanken die - voordat de ramen gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij - indien mogelijk - voorbereidingen treft bijvoorbeeld voor het doen van de was.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen waarmee de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Zie ook artikel 4.3. lid 2 aanhef en onder a van de Verordening. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau of een handwringer voor het uitwringen van werkdoekjes. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de cliënt zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015).
Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet voor hulp bij het huishouden. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Een uitzondering geldt indien de cliënt is aangewezen op een hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw.
Verder is het zo dat bij de hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar deze dieren wel door de cliënt worden gehouden geldt geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.
De gemeentelijke zorg voor de inwoners van de gemeente Montferland is uitgebreid naar een verblijf in een hospice buiten de gemeente Montferland.
Met de betreffende hospices worden op het moment er daar een inwoner van de gemeente wordt ondergebracht nadere afspraken gemaakt over o.a. de facturering.
De praktische invulling van hulp bij het huishouden wordt overgelaten aan belanghebbende en het hospice samen.
Het gaat om alle activiteiten om het huis schoon en leefbaar te houden. Uitgangspunt hierbij is dat rekening wordt gehouden met die kamers/delen van het huis die frequent gebruikt worden.
Het resultaat van deze activiteiten is dat de betrokkene beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men in het algemeen gebruik moet kunnen maken van schone ruimten die worden gebruikt in verband met het in staat zijn tot het uitvoeren van elementaire woonfuncties. In het algemeen is het natuurlijk zo dat deze ruimten met enige regelmaat schoongemaakt moeten worden. Het wil echter niet zeggen dat alle ruimten wekelijks schoongemaakt moeten worden. Bij schoon wordt onderscheidt gemaakt hygiënisch schoon en optisch (lees ook representatief) schoon. Hygiënisch schoon kan zijn aangewezen omdat het bevorderlijk is voor de gezondheid. Het resultaat hygiënisch schoon heeft dan ook betrekking op de sanitaire ruimten en het keukenblad waar de maaltijden worden bereid. Een optisch schoon resultaat wordt verkregen als het oppervlak vrij is zichtbare vervuiling. Denk aan stofzuigen, dweilen, afstoffen en ramen lappen.
Een algemene definitie van leefbaarheid luidt als volgt; ‘geschikt om erin of ermee te kunnen leven’ (Van Dale, 1997). Dat maakt leefbaarheid nog niet geheel objectief. Leefbaarheid in dit kader gaat over de relatie van de cliënt en de woning. In het algemeen gaat leefbaarheid in het kader van deze Beleidsregels er van uit dat de woning opgeruimd moet zijn om bijvoorbeeld vallen te voorkomen. En zoals gezegd mag van de cliënt worden verwacht dat hij daar - voor zover mogelijk en in wat redelijk is - zijn medewerking aan verleend.
Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt onderscheidt gemaakt een tussen variant a. en variant b. (niet zijnde individuele begeleiding). Het verschil tussen deze varianten is gelegen in de mate waarin de cliënt in staat is de huishoudelijke taken te organiseren. Van cliënten met bijvoorbeeld ernstige visusbeperkingen, cognitieve- en geheugenbeperkingen, psychosociale problematiek of zij die zich in hun laatste levensfase bevinden kan het college vaststellen dat zij niet of slechts in beperkte mate in staat zijn de huishoudelijke taken: adequaat in te schatten, te bepalen (te zien), te plannen, te organiseren, voor te bereiden en te overzien. Kort gezegd: het regelen. Hoewel het om dezelfde soort ondersteuning kan gaan als bij schoon en leefbaar huis (variant a), spreekt het voor zich dat bij cliënten met een ‘beperkt regelvermogen’ (variant b) andere eisen worden gesteld aan de persoon die de ondersteuning biedt.
Wanneer er iemand aanwezig is die de regie overneemt, wordt variant a. ingezet.
Variant b. wordt ingezet wanneer de cliënt:
onvoldoende zelfredzaam is,
een beperkte verandercapaciteit heeft en
leerbaar is, in die situaties waar er sprake is van coachen/geven van advies, instructie en voorlichting (gericht op het zelfstandig uitvoeren van het huishouden.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.2
Beleidsuitgangspunten
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2018