De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:
- - blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
- - blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 10 derde en zesde lid niet naleeft;
- - de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
- - binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;
- - tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.