Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2

Artikel 39.

Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding

Onderdeel van Tekstplaatsing van de Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW en Bbz, bekendgemaakt 28 december 2017, gmb 2017-233824

1. . Het college kan mondeling of schriftelijk verzoek van de belanghebbende besluiten om een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien de belanghebbende: zorgdraagt voor een gemotiveerd verzoek; zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college naar behoren is nagekomen; zijn aflossingsverplichting naar het oordeel van het college niet naar behoren is nagekomen, maar een reëel bedrag van de nog openstaande vordering alsnog in één keer aflost. 2. . De aanvragen zoals in het eerste lid vermeld, worden individueel beoordeeld. Deze beoordeling is afhankelijk van diverse factoren, maar in de afweging wordt onder meer betrokken: de reden en de motivering van de aanvraag; de omvang en de ontstaansgrond van de vordering in relatie tot het aflossingsgedrag; de eventuele aanwezigheid van andere schulden, welke initiatieven de belanghebbende ter vermindering van de schuld heeft ondernomen of nog kan ondernemen; de vraag of deze vordering de belanghebbende in zijn uitstroom naar arbeid belemmert en op basis waarvan dit aannemelijk kan worden geacht; de aanwezigheid of het ontbreken van perspectief, waaronder de kansen op betaald werk met verbetering van inkomen; de vraag of deze vordering tot problematische gezinsomstandigheden leidt, al dan niet in samenhang met eventuele medische en/of psychosociale problematiek. 3. . Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht en deze vordering na 1 januari 2013 is ontstaan, kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden.

Rechtspraak bij dit artikel