** 1. .** Het college kan op aanvraag namens de belanghebbende besluiten om een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien:
sprake is van een schuldregeling of redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling zonder een zodanig besluit niet tot stand kan komen;
de belanghebbende naar het oordeel van het college zijn aflossingsverplichting naar behoren is nagekomen, waarbij de beoordelingscriteria van artikel 50, tweede lid, mede van toepassing zijn; en
de vordering bij het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
** 2. .** Het besluit tot kwijtschelding treedt niet eerder in werking dan het moment dat de schuldregeling tot stand is gekomen.
** 3. .** Het besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
de schuldregeling niet binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit tot stand is gekomen;
de belanghebbende zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en het college een ander besluit zou hebben genomen indien de verstrekte gegevens wel juist en volledig waren geweest.
** 4. .** Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het schenden van de inlichtingenplicht, kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2
Artikel 40.
Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek
Onderdeel van Tekstplaatsing van de Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW en Bbz, bekendgemaakt 28 december 2017, gmb 2017-233824