Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 2

Artikel 40.

Mogelijkheden en voorwaarden tot kwijtschelding bij schuldenproblematiek

Onderdeel van Tekstplaatsing van de Verzamelbeleidsregels 2018 Participatiewet, IOAW en Bbz, bekendgemaakt 28 december 2017, gmb 2017-233824

1. . Het college kan op aanvraag namens de belanghebbende besluiten om een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, indien: sprake is van een schuldregeling of redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling zonder een zodanig besluit niet tot stand kan komen; de belanghebbende naar het oordeel van het college zijn aflossingsverplichting naar behoren is nagekomen, waarbij de beoordelingscriteria van artikel 50, tweede lid, mede van toepassing zijn; en de vordering bij het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2. . Het besluit tot kwijtschelding treedt niet eerder in werking dan het moment dat de schuldregeling tot stand is gekomen. 3. . Het besluit tot kwijtschelding wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: de schuldregeling niet binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit tot stand is gekomen; de belanghebbende zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en het college een ander besluit zou hebben genomen indien de verstrekte gegevens wel juist en volledig waren geweest. 4. . Indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het schenden van de inlichtingenplicht, kan een eventuele kwijtschelding pas na tien jaar na het ontstaan van de vordering verleend worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel