Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.3

Ligging van de bestemmingen bij bijzondere situaties

Onderdeel van Nota Bijgebouwen 2017

In figuur 1 is de grens tussen de bestemming Tuin en Wonen buiten bouwvlak gelegd op het punt halverwege de zijgevel van het hoofdgebouw. Deze lijn wordt loodrecht op het hoofdgebouw (bouwvlak) getrokken. Aanbouwen, zoals de serre en de keukenaanbouw, vallen buiten het bouwvlak en worden dus niet meegenomen bij het bepalen van de grens halverwege de zijgevel. Bij twee-onder-een-kap woningen wordt per zijgevel bepaald wat de helft van de diepte van de zijgevel ten opzichte van het hoofdgebouw is. Uit figuur 2 blijkt dat de totale diepte van het bouwvlak bepalend is voor de ligging van de bestemmingsgrens halverwege de zijgevel, zoals geïllustreerd voor een woning met een verspringende zijgevel. Figuur 2: bepalen ligging Wonen buiten bouwvlak/Tuin grens halverwege de zijgevel. Het principe van de wijze waarop de bestemming Wonen buiten bouwvlak wordt gesitueerd bij hoekpercelen (percelen met aan twee of meer zijden een openbare weg) wordt geïllustreerd in figuur 3 en 4. De zijgevel wordt bepaald door de ligging van de voorgevel. Er is altijd sprake van één voorgevel. In principe kan deze worden bepaald aan de hand van de geldende bestemming, dan wel de gevel waar de voordeur in is gesitueerd. Voor percelen in gebiedstype 1 geldt dat overwegend sprake is van de situatie zoals geïllustreerd in figuur 3. In principe wordt een lijn in het verlengde van de zijgevel getrokken, met de mogelijkheid tot een zijwaartse bebouwing van 3 meter vanuit de zijgevel met een bouwdiepte van 3 meter achter de oorspronkelijke achtergevel. Voor rijtjeswoningen (3 of meer aaneen) geldt een bouwdiepte van 2,5 meter achter de achtergevel. De afstandsmaat tot de perceelgrens gaat boven de afstandsmaat van de bestemming Wonen buiten bouwvlak ten opzichte van de zijgevel. Voor hoekpercelen geldt derhalve dat het de bestemming Wonen buiten het bouwvlak minimaal 3 meter uit de perceelgrens ligt. Indien er minder dan 3 meter afstand is tussen de woning en de zijdelingse perceelgrens wordt Wonen buiten bouwvlak in principe achter de woning gelegd in lijn met de zijgevel. Voor dit soort situaties zal echter bijzondere zorg worden besteed aan een oplossing op maat. Figuur 3: Hoekoplossing gebiedstype 1; Bovenin de eindwoning, daaronder de hoekwoning. Voor percelen in de gebiedstypen 2 en 3 geldt in principe dezelfde hoekoplossing als in gebiedstype 1. Gezien de gevarieerde situering van de bebouwing op het perceel wordt in deze gebieden de hoekoplossing meer op maat gesneden, zoals in de situatie in figuur 4. Ook hiervoor geldt dat de afstandsmaat tot de perceelgrens het zwaarste weegt. Voor gebiedstype 2 geldt een minimale afstand van 5 meter tot de perceelgrens vanaf de naar het openbaar gebied gekeerde zijgevel, parallel aan de openbare weg. Voor gebiedstype 3 geldt een minimale afstand van 10 meter. Indien een woning niet reeds minimaal 10 meter uit de perceelgrens is gelegen geldt dat na de zone van 3 meter uit de zijgevel de erfgrens parallel aan de zijgevel van de woning naar achter loopt totdat de afstand van 10 meter is bereikt. Waarna de grens van Tuin en Wonen buiten bouwvlak weer parallel aan de openbare weg komt te liggen. Het principe van de ligging van Wonen buiten bouwvlak 3 meter uit de zijgevel is ook van toepassing bij woningen die niet zijn gelegen op hoekpercelen. Figuur 4: hoekoplossing gebiedstype 2 en 3 Bij appartementencomplexen is de realisatie van bijgebouwen sterk afhankelijk van de situatie rondom die appartementen. In gevallen waar in het appartementencomplex zelf voorzien is in bergruimte zijn de gronden rondom het bouwvlak bestemd als Tuin, waarop bijgebouwen niet zijn toegestaan. In andere gevallen worden bijgebouwen toegestaan, afhankelijk van de afmetingen van het perceel en de woning wordt 10m2 tot 20m2 per appartement toegestaan. De exacte afmetingen en de positionering zijn maatwerk. Voor de gebieden met een bijzonder woonmilieu is een aparte aanduiding op de gebiedstypenkaarten (bijlage 1) gezet, de zogenaamde gearceerde gebieden. De bijzondere kwaliteiten worden extra beschermd door aanpassingen in de ligging van de bestemmingen Wonen buiten bouwvlak en Tuin en de situering van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, binnen deze bestemmingen. Ter bescherming van de landschappelijke en natuurlijke waarden wordt in een bijzonder woonmilieu naast de bestemmingen Wonen buiten bouwvlak en Tuin, vaak de bestemming Natuur toegepast voor gronden die behoren bij woningen en die vanwege hun landschappelijke waarden en de karakteristiek van de omgeving beschermd dienen te worden. Voor deze bestemming geldt een aanlegvergunningstelsel1Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk of werkzaamheden ex art. 2.1, lid 1, onder b Wabo voor het uitvoeren van activiteiten op of in de grond. Vergunningsvrij bouwen op de gronden met de bestemming ‘Natuur’ is niet mogelijk omdat die gronden volgens de definitiebepalingen van het Bor niet tot het erf worden gerekend Door de subbestemming Natuur blijven er kleinere gebieden over voor de bestemmingen Wonen, buiten het bouwvlak en Tuin. Dit betekent meestal dat de bijbehorende bebouwing dichter rond een woning geplaatst moet worden. In figuur 6 is een standaardsituering weergegeven. In de figuren 5 en 7 is schematisch weergegeven wat de situering kan zijn voor de bestemmingen Wonen binnen bouwvlak, Wonen buiten bouwvlak, Tuin en Natuur, in een bijzonder woonmilieu, in geval van de aanwezigheid van waardevolle bomen of een geaccidenteerd terrein. In verband met waardevolle bomen kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de afstand van de bebouwing tot bomen of boomwortels. In overleg en met advies van de afdeling groenvoorziening wordt zo mogelijk een oplossing aangedragen. Ook ten aanzien van het reliëf kunnen nadere eisen worden gesteld, afhankelijk van de grootte van de hoogteverschillen. Bij sterk geaccidenteerd terrein kan bebouwing worden uitgesloten. Als de hoogteverschillen minder zijn, kan (beperkte) bebouwing een optie zijn. Indien sprake is van een relict is de mate van reliëf van minder belang. In dat geval is sprake van een plaatselijk (karakteristiek) restant van duinvorming, dat in alle gevallen bescherming behoeft. In verband met het bijzondere woonmilieu kan voor gebouwen een afdekking met een kap of een bepaalde dakhelling worden verlangd. In de nota Villawijken wordt ingegaan op het toewijzen van de aanduiding ‘karakteristiek’ aan bepaalde villa’s. Deze aanduiding staat los van de definitie van gebieden met bijzonder woonmilieu. Er is dus niet in alle gevallen samenhang tussen karakteristieke villa’s en een bijzonder woonmilieu. Figuur 5 situering bij opgaande bebossing Figuur 6 standaard situering zonder bijzonder woonmilieu Figuur 7 situering bij geaccidenteerd terrein

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel