Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:
De gemeente mag leningen, of garanties uit hoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken tegen acceptabele voorwaarden, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij. Hierbij worden de uitgangspunten genoemd onder artikel 5 in acht genomen;
De gemeente kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut en de Wet Fido;
De gemeente mag conform artikel 2 lid 3 van de Wet Fido liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat deze openbare lichamen geen toezichtrelatie hebben met de gemeente;
beleid betreffende de financiering is gericht op spreiding van toekomstige renterisico’s. Hierdoor wordt voorkomen dat een ongewenst budgettaire belasting kan ontstaan in een jaar waarin voor een substantieel deel van de leningportefeuille hoog rentende leningen c.q. leningconversies moeten worden gesloten c.q. plaatsvinden;
De gemeente beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van treasury door daarbij uitsluitend de volgende producten te hanteren: rekening-courant, daggeld, deposito’s, obligaties en garantieproducten die tenminste 100% van de hoofdsom plus een aanvaardbaar rendement uitkeren. Hierbij is de regelgeving vanuit de Wet Fido en de Wet op het verplicht Schatkistbankieren bepalend;
Het gebruik van derivaten is alleen toegestaan na instemming van de raad. Deze worden uitsluitend toegepast ter beperking van financiële renterisico’s. Alvorens de derivatentransactie wordt afgesloten wordt het advies ingewonnen bij een onafhankelijke externe ter zake kundig adviseur.