Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Sluitingsduur voor woningen

Onderdeel van Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Gemeente Buren

Hieronder wordt met woning bedoeld als sprake is van een woonbestemming en feitelijke bewoning. De sluiting van woningen grijpt zwaarder in op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen. De essentie ligt daarin dat er in bewoonde woningen sprake is van het hebben van een woongenot en de daaraan sterk gerelateerde persoonlijke levenssfeer. De burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat/die daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. 6.1 . Sluitingstermijnen harddrugs - Indien in woningen of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs), met een handelsvoorraad van > 0,5 gram, dan volgt bij een eerste constatering een sluiting van zes maanden. - Bij een tweede constatering, binnen vijf jaar na de beëindiging van de eerste bestuurlijke maatregel vindt er een sluiting plaats van twaalf maanden. 6.2 . Sluitingstermijnen softdrugs - Indien in woningen of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs), met een handelsvoorraad van > 30 gram (al dan niet verkregen door teelt in dezelfde woning), dan volgt bij een eerste constatering een sluiting van zes maanden. - Bij een tweede constatering, binnen vijf jaar na de beëindiging van de eerste bestuurlijke maatregel vindt er een sluiting plaats van twaalf maanden.

Rechtspraak bij dit artikel