Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Woonkostentoeslag

Onderdeel van Beleidsregels Bijzondere bijstand Montferland 2018 en volgende

Algemeen Bij de inwerkingtreding van de Wet op de huurtoeslag heeft er een wijziging plaatsgevonden bij de vaststelling van het inkomen. Voor de inwerkingtreding werd er gekeken naar het inkomen van het voorafgaande jaar. De huidige huurtoeslag wordt gebaseerd op het actuele inkomen. Indien gedurende het jaar inkomensveranderingen optreden, kan de huurtoeslag tussentijds worden aangepast. Ook andere mutaties die van invloed zijn op de huurtoeslag zoals hoogte van de huur en gezinssamenstelling kunnen tussentijds worden aangepast. In veel situaties is het daarom niet meer noodzakelijk om een woonkostentoeslag te verstrekken. Er kunnen zich echter 2 situaties voordoen waarbij er wel een woonkostentoeslag bij een huurwoning kan worden verstrekt, namelijk bij een huurder die een nieuwe woning betrekt of als er sprake is van terugval van inkomsten en daardoor geen recht op huurtoeslag bestaat aangezien de huur boven de maximale huurgrens ligt. Woonkostentoeslag kan ook worden verstrekt bij een koopwoning, bijvoorbeeld indien er sprake is van een dusdanige verlaging van het inkomen dat de woonkosten niet meer (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden. Opgemerkt zij dat bij de vaststelling van een woonkostentoeslag afwijkend wordt omgegaan met draagkracht. Zo wordt al het inkomen vanaf 100% meegeteld en wordt vermogen in de eigen woning niet meegenomen, waarmee het gestelde in 5.10 buiten werking wordt gesteld. Voorwaarden: Belanghebbende bewoont een woning, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag maar door omstandigheden buiten zijn schuld kan hij nog geen aanspraak maken op de huurtoeslag. De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen. Indien de woonkosten van de huurwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan. De woonkostentoeslag als bedoeld in lid 3 wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar. Deze periode kan worden verlengd - indien en voor zover - bijzondere individuele omstandigheden daartoe noodzaken. Aan de woonkostentoeslag zoals bedoeld in artikel 3 wordt met toepassing van artikel 55 Participatiewet, de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende binnen een periode van 6 maanden naar vermogen tracht een goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht), waarvan de huur in overeenstemming is met zijn inkomen. Van zijn inspanningen dient de belanghebbende bewijsstukken te overleggen. De woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 3 wordt op dezelfde wijze als de huurtoeslag berekend. Dit betekent dat voor het gedeelte van de huur boven de huurgrens in beginsel geen woonkostentoeslag wordt verstrekt. De woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 3 wordt niet verstrekt bij aanvang van of binnen 12 maanden na het betrekken van een woning, tenzij sprake is van overmacht. Voorwaarden: Aan een belanghebbende die een eigen woning bezit, die tevens door hem/haar wordt bewoond en waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag, kan een woonkostentoeslag verstrekt worden. Voor de berekening van deze toeslag komen per maand de hypotheekrente in aanmerking. De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen. Indien de woonkosten van de koopwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan. De woonkostentoeslag zoals bedoeld in artikel 3 wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar. Deze periode kan worden verlengd - indien en voor zover - bijzondere individuele omstandigheden daartoe noodzaken. Aan de woonkostentoeslag zoals bedoeld in artikel 3 wordt met toepassing van artikel 55 Participatiewet, de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende binnen een periode van 6 maanden naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden (verhuisplicht), waarvan de huur in overeenstemming is met zijn inkomen. Van zijn inspanningen dient belanghebbende bewijsstukken te overleggen. De woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 3 wordt op dezelfde wijze als de huurtoeslag berekend. Dit betekent dat voor het gedeelte van de huur boven de huurgrens geen woonkostentoeslag wordt verstrekt, met uitzondering van bijzondere situaties, zoals een hypothecaire verplichting aanmerkelijk boven de huurgrens. De woonkostentoeslag zoals bedoeld in lid 3 wordt niet verstrekt bij aanvang van of binnen 12 maanden na het betrekken van een woning, tenzij sprake is van overmacht. Voor de waarborgsom kan in principe geen bijzondere bijstand worden verleend. Een waarborgsom huur behoort niet tot de bijzondere kosten, maar tot de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Men wordt geacht hier zelf voor te reserveren. Administratiekosten kunnen om niet worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de bijstand direct in termijnen wordt terugbetaald. Mocht er echter naast de waarborgsom ook een lening onder borg bij de Stadsbank Oost Nederland zijn verstrekt voor inrichtingskosten, dan dient de aflossing aansluitend plaats te vinden na de aflossing van de lening bij de Stadsbank Oost Nederland. Voorwaarden Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor een waarborgsom in de vorm van een (renteloze) geldlening. Belanghebbende ontvangt namelijk de waarborgsom op een later moment weer terug.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel