1. Met inachtneming van artikel 10 en 11 kan een cliënt in aanmerking komen voor collectief vervoer als de cliënt niet of onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
2. Met inachtneming van artikel 10 en 11 en het voorgaande lid kan een cliënt eerst in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening als het collectief vervoer de beperkingen in het vervoer niet op passende wijze compenseert en/of wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.
3. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.
4. De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met een omvang van maximaal 1500 kilometer tot een bandbreedte van 2000 kilometer per jaar mogelijk maken.
HOOFDSTUK 3:
Artikel 22
Aanvullende criteria en voorwaarden voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2018