1. Op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 zijn de bepalingen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
2. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan slechts worden aangevraagd door of namens degene, die krachtens zakelijk recht gerechtigd is over de houtopstand te beschikken of die hiertoe bevoegd is krachtens een publiekrechtelijke bevoegdheid.