Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6:

Artikel 6.1

Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo

1. De ondersteuningsvrager doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een op het individu toegesneden voorziening. 2. Het college kan een beslissing aangaande een op het individu toegesneden voorziening herzien dan wel intrekken als is vastgesteld dat: a. er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de ondersteuningsvrager niet langer op deze voorziening is aangewezen; c. deze voorziening niet meer toereikend is; d. er niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden verbonden aan de verstrekking van deze voorziening, of e. de op het individu toegesneden voorziening of het persoonsgebonden budget niet wordt gebruikt dan waarvoor het is bestemd; f. de op het individu toegesneden voorziening of het persoonsgebonden budget voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, d, e en f, heeft ingetrokken kan het college van de ondersteuningsvrager en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten op het individu toegesneden voorziening of persoonsgebonden budget. 4. Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte op het individu toegesneden voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 5. Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat deze binnen zes maanden na verstrekking niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6. Het college onderzoekt mede uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten. 6.1 Informatieplicht in beschikking In de beschikking worden, naast wat op grond van artikel 5.1 moet worden vastgelegd, in ieder geval de volgende feiten en omstandigheden vermeld waarvan de ondersteuningsvrager direct een mededeling moet doen: • verhuizing naar een andere gemeente of naar een instelling gericht op het verstrekken van zorg; • een vakantie van meer dan 4 weken (behalve als er sprake is van ondersteuning zelfstandig wonen); In bovenstaande situaties wordt de ondersteuningsvrager in ieder geval geacht te weten dat de beslissing tot het verstrekken van een voorziening kan worden heroverwogen. Daarnaast kan in de beschikking, afhankelijk van de op het individu toegesneden voorziening die wordt verstrekt, nog aangegeven worden dat direct moet worden gemeld: • ziekte of verslechtering in de gezondheidssituatie waardoor de voorziening langer dan drie maanden niet kan worden gebruikt; • aanmerkelijke verbetering in de gezondheidssituatie waardoor de voorziening niet langer noodzakelijk is; • een wijziging in de woonsituatie (inwoning of verhuizing van een persoon); • een ontzegging van de rijbevoegdheid indien een vervoermiddel met hulpmotor of elektromotor is toegekend; • beëindiging van een verzekering door de verzekeringsmaatschappij als gevolg van het gedrag van de persoon aan wie de voorziening is verstrekt; • een zodanige beschadiging van de voorziening dat herstel ervan niet zinvol is. 6.2 Herziening en intrekking In het tweede lid van artikel 6.1 worden de gronden voor het herzien of het intrekken van de beslissing tot het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening genoemd. Een beslissing wordt in het algemeen herzien of ingetrokken als de grondslag voor de verstrekking van een voorziening komt te vervallen. Soms is dat omdat de voorziening niet langer noodzakelijk is; vaker zal er sprake zijn van het niet langer kunnen gebruiken van een voorziening. De voorziening is dan niet toereikend meer. Incidenteel komt het voor dat de voorziening niet langer adequaat is, omdat de persoon aan wie de voorziening is toegekend bijvoorbeeld door een rechterlijke uitspraak niet meer mag deelnemen aan het verkeer met een gemotoriseerd vervoermiddel. Het niet langer adequaat zijn van een voorziening kan ook blijken uit het beëindigen van een verzekering door een verzekeringsmaatschappij. Dit kan het geval zijn als de persoon aan wie de voorziening is verstrekt in korte tijd een aantal schademeldingen heeft gedaan. Een voorziening wordt ook ingetrokken als er sprake is van het niet of niet tijdig informeren (er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de verstrekking) of het geven van een onjuiste voorstelling van zaken. Ook als achteraf blijkt dat voor het doel waarvoor de voorziening is verstrekt, tevens een vergoeding wordt toegekend door bijvoorbeeld een verzekeringsmaatschappij (op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis), wordt de voorziening herzien of ingetrokken. Betrokkene heeft dan zelf kunnen voorzien in de op het individu toegesneden voorziening en is niet langer aangewezen op een op het individu toegesneden voorziening op grond van de Jeugdwet of Wmo 2015. Overigens is met een groot aantal verzekeraars door de VNG (ook namens de gemeente Almelo) een akkoord gesloten met betrekking tot het regresrecht. Dit betekent dat het college, ook als de schade is veroorzaakt door een derde, de kosten van de voorziening niet gaat verhalen op de verzekering van de schadeveroorzaker mits de verzekeraar het akkoord met de VNG heeft ondertekend. De gemeente ontvangt voor de afkoop van het regresrecht een vergoeding van de verzekeraars via de VNG. 6.3 Terugvordering In het algemeen zal er, als een voorziening wordt ingetrokken of herzien, een vordering ontstaan. De terugvordering bestaat of uit de waarde van de ten onrechte of te veel genoten op het individu toegesneden voorziening in geld of persoonsgebonden budget (zie artikel 6.1 lid 3) of het innemen van de in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening (zie artikel 6.1 lid 4). De bepaling met betrekking tot terugvordering is gebaseerd op artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het besluit tot herziening of intrekking en daaraan gekoppelde terugvordering levert een executoriale titel op. Het terug te vorderen bedrag kan dan ook bij dwangbevel worden ingevorderd. Dit geldt overigens alleen voor ondersteuningsvragers. In artikel 6.1 lid 3 is ook de mogelijkheid opgenomen een bedrag terug te vorderen bij de aanbieder bijvoorbeeld als er te weinig of geen zorg wordt geleverd. Indien tot terugvordering bij de aanbieder wordt overgegaan, kan dat niet met een executoriale titel. Dit geldt ook voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geen bepaling met betrekking tot terugvordering opgenomen. Indien er sprake is van een terugvordering van een voorziening op grond van de Jeugdwet, zal dat gebaseerd moeten zijn op het Burgerlijk Wetboek (onverschuldigde betaling). Voordat tot terugvordering wordt overgegaan, moet duidelijk zijn welk bedrag ten onrechte of teveel is betaald. Bij het vaststellen van de vordering wordt rekening gehouden met de door de cliënt betaalde eigen bijdragen. Schade Als er schade is ontstaan aan een in bruikleen verstrekte voorziening, zullen de kosten van reparatie van de schade worden teruggevorderd. Als de voorziening geheel verloren is gegaan of als reparatie van de schade te veel gaat kosten, wordt het terug te vorderen bedrag vastgesteld zoals bepaald in beleidsregel 2.3-1. Een zelfde benadering geldt ook als de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is verstrekt en het recht op de voorziening is ingetrokken of beëindigd. Voor het bepalen van het terug te vorderen bedrag, indien er geen sprake is van schade, vindt er een evenredige toerekening naar het aantal jaren dat de voorziening oud is plaats. Als een voorziening in 7 jaar is afgeschreven (zie voor afschrijvingstermijnen beleidsregel 2.2-5), wordt als de voorziening verloren is gegaan tussen het 3de en 4de jaar, 3/7 deel van de aanschafkosten van de voorziening teruggevorderd. Voor het berekenen van het terug te vorderen bedrag wordt uitgegaan van het aantal volle jaren dat de voorziening nog mee had moeten gaan, gedeeld door de afschrijvingstermijn en vermenigvuldigd met het bedrag van de aanschafkosten van de voorziening. 6.4 Intrekking persoonsgebonden budget als deze niet direct wordt gebruikt Als blijkt dat een persoonsgebonden budget niet binnen zes maanden is of wordt besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend, kan in het algemeen niet meer worden gesproken van een voorziening die noodzakelijk is. Hetzelfde geldt voor een financiële tegemoetkoming (bijvoorbeeld in de verhuiskosten). Mogelijk is er dan op een andere wijze voorzien in de gevraagde ondersteuning. Er zal dan opnieuw naar de situatie moeten worden gekeken. Ten aanzien van de financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten kan nog worden opgemerkt dat verstrekking vrijwel alleen plaatsvindt vanwege een onverwacht optredende noodzaak tot verhuizen. Dit veronderstelt dan ook dat de aanvrager binnen een korte periode na toekenning van de financiële tegemoetkoming daadwerkelijk verhuist. De op het individu toegesneden voorziening is bij het niet binnen zes maanden aanwenden, niet gebruikt voor het doel waarvoor deze bestemd is. 6.5 Handhaving, fraudepreventie en toezicht op kwaliteit geleverde zorg Naast de beoordeling van de kwaliteit van de voorzieningen die door gecontracteerde aanbieders worden geleverd (zie volgende hoofdstuk), moet ook de kwaliteit van de geleverde zorg en ondersteuning die wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget worden gecontroleerd. Voor de kwaliteit van de geleverde zorg en ondersteuning die met een persoonsgebonden budget worden ingekocht, gelden, als de aanbieder het 100% tarief ontvangt, dezelfde eisen als voor zorg of ondersteuning in natura. Voor deze aanbieder gelden alle kwaliteitseisen zoals beschreven in hoofdstuk 7. Voor aanbieders die het 85% tarief ontvangen of personen uit het sociale netwerk gelden deels andere (kwaliteits)eisen. Altijd moet beoordeeld worden of het tussen de regisseur en de ondersteuningsvrager afgesproken resultaat wel wordt bereikt. Voor het toezicht op de kwaliteit wordt een toezichthouder door het college aangewezen. Naast het toezicht op de kwaliteit zal toezicht worden gehouden op de besteding van persoonsgebonden budgetten en de geleverde prestaties door aanbieders. Voor het persoonsgebonden budget geldt nog dat het budget moet worden aangewend voor het doel waarvoor deze verstrekt is. De besteding van het budget moet leiden tot het afgesproken resultaat. Indien dat resultaat niet wordt bereikt doordat geen of onvoldoende zorg wordt geboden, kan het persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. In artikel 6.1 lid 3 is aangegeven dat terugvordering dan ook kan plaatsvinden bij de aanbieder. In het algemeen zal een onderzoek naar de besteding van het persoonsgebonden budget plaatsvinden naar aanleiding van een of meerdere signalen dat het budget niet goed wordt besteed of naar aanleiding van een melding over (niet) geleverde zorg door een aanbieder. Daarnaast zal steekproefsgewijs (waarbij de omvang van de steekproef kan oplopen tot 100%) een controle plaatsvinden op de besteding van het persoonsgebonden budget. Afhankelijk van de controle door de Sociale Verzekeringsbank op de door de ondersteuningsvrager ingediende declaraties en facturen, kunnen we gebruik gaan maken van verantwoordingsformulieren. Uit de verantwoordingsformulieren dient de besteding van het persoonsgebonden budget duidelijk te worden. Onduidelijkheden kunnen vervolgens leiden tot een nader onderzoek.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel