Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7:

Artikel 7.1

Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo

1. Om een goede verhouding te waarborgen tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen, en 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Voor de levering van een dienst door een derde op grond van de Jeugdwet houdt het college rekening met het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid. De diensten en voorzieningen die worden uitgevoerd in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet worden in regionaal verband ingekocht, met uitzondering van de voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en mobiliteit. Deze laatste voorzieningen worden lokaal ingekocht. Zowel bij de lokale als de regionale inkoop van diensten en voorzieningen wordt rekening gehouden met bovenstaande uitgangspunten. Overeenkomsten worden alleen gesloten met aanbieders die voldoen aan de gestelde eisen. · 7.2 Kwaliteitseisen aanbieders Artikel 7.2 Kwaliteitseisen aanbieders 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen, verstrekt op grond van de Wmo 2015, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de ondersteuningsvrager; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 2. Het college kan in de beleidsregels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Voor aanbieders van voorzieningen in het kader van de Jeugdwet gelden de kwaliteitseisen zoals bepaald in deze wet. In de Jeugdwet zijn bepalingen met betrekking tot de kwaliteitseisen opgenomen in artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.8. Naast de hieronder geformuleerde kwaliteitseisen gelden voor aanbieders die zorg in natura mogen leveren ook de eisen van paragraaf 3.1.1.4 onder het kopje algemene eisen. De zorgaanbieder mag dan ook niet optreden als belangenbehartiger van de ondersteuningsvrager en het keukentafelgesprek wordt niet gevoerd in het bijzijn van de zorgaanbieder. Daarnaast wordt van de zorgaanbieders of zorgverleners verwacht dat zij voorbeeldgedrag tonen in de communicatie en andere contacten met onder andere medewerkers die belast zijn met de toeleiding en toegang tot voorzieningen. Met betrekking tot de kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen wordt een driedeling gehanteerd en wel: 1. Eisen aan het resultaat van de dienstverlening 2. Eisen aan de organisatie 3. Eisen aan de beroepskracht 7.2.1 Eisen aan het resultaat van de ondersteuning Het spreekt voor zich dat de ondersteuning een bijdrage dient te leveren aan het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid of de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer zoals verwoord in het ondersteuningsplan. Daarnaast moet de ondersteuning zo mogelijk een bijdrage leveren aan het versterken van het sociale netwerk van de ondersteuningsvrager waardoor deze voor ondersteuning minder afhankelijk wordt van professionals. In het ondersteuningsplan worden de resultaten geformuleerd die met de ondersteuning zouden moeten worden bereikt. De regisseur monitort of evalueert periodiek of het afgesproken resultaat met de gekozen vorm van ondersteuning wel wordt behaald. 7.2.2 Eisen aan de organisatie Naast eisen ten aanzien van het resultaat van de ondersteuning, worden eisen gesteld aan de organisatie. De volgende eisen worden gesteld aan de organisatie: • Zorgplan, trajectplan of iets soortgelijks per cliënt; De aanbieder stelt per cliënt een plan op. Dit plan sluit aan op ondersteuningsplan en is afgestemd op de persoonlijke situatie (persoon en omgeving) van de cliënt, waarbij aandacht wordt besteed aan de afstemming tussen professionele hulp en informele zorg. • Samenwerking met andere partijen in de keten; Aanbieders stemmen periodiek af met andere partijen in de keten (partijen die betrokken zijn bij instroom/uitstroom) ter voorkoming van het ontstaan van wachtlijsten en stagnatie in de keten. • Samenwerking met andere partijen voor integrale hulpverlening; Wanneer sprake is van meerdere hulpverleners spreken partijen af wie het eerste aanspreekpunt is voor specifieke onderdelen. • De beloning van (top)functionarissen is maximaal het bedrag genoemd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) • Opstellen/uitvoeren kwaliteitsbeleid; De aanbieder beschikt over kwaliteitsbeleid, waardoor ze zicht heeft op de prestaties en continu werkt aan verbetering. Bij voorkeur wordt gewerkt met het instrument “De menselijke maat” • Opleveren jaardocument en accountantsverklaring; De aanbieder levert de gemeente jaarlijks een jaarverslag en een accountantsverklaring aan. • Meten van effect bij de cliënt; De aanbieder is ervoor verantwoordelijk om inzichtelijk te maken hoe het gesteld is met de zelfredzaamheid en participatie van haar cliënten en hoe die zich door de geboden ondersteuning ontwikkelt. • Meten welke bijdrage de dienstverlening levert aan resultaat; De aanbieder is er voor verantwoordelijk om inzichtelijk te maken welke bijdrage de geboden dienstverlening levert aan de zelfredzaamheid en participatie van haar cliënten. • Meten van cliëntervaring; De aanbieder levert de gemeente jaarlijks de resultaten van een cliëntervaringsmeting en de daaraan gekoppeld acties die op basis van de ervaringsmeting ingezet worden. • Aanbieders beschikken over een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in aanraking kunnen komen. 7.2.3 Eisen aan de beroepskracht Het resultaat van de ondersteuning is in grote mate afhankelijk van de inzet van diegenen die het werk in de praktijk moeten uitvoeren. Daarom worden de volgende eisen gesteld aan de beroepskrachten die bij de aanbieder in dienst zijn: • handelen tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen in overeenstemming met de professionele standaard; • zijn adequaat opgeleid (zie opleidingseisen in bijlage 6); • moeten een geldige verklaring omtrent gedrag kunnen overleggen. Onder adequaat opgeleid wordt verstaan: • voor lichtere vormen van ondersteuning (OZL1 en OMD1) een afgeronde relevante opleiding op minimaal Mbo-niveau (geldt niet voor huishoudelijke ondersteuning); voor zwaardere vormen van ondersteuning (OZL2 en OMD2) een afgeronde relevante opleiding op minimaal Hbo-niveau (voor huishoudelijke ondersteuning waarbij van de helpende gevraagd wordt de regie van de ondersteuningsvrager over te nemen of waarbij sprake is van zorg voor kinderen een afgeronde relevante opleiding op Mbo-niveau). 7.3 Klachten over de voorziening

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel