Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Afbakening begrippen

Onderdeel van Beleidsregel Wet aanpak woonoverlast 2018 Ridderkerk

Uit artikel 151d van de Gemeentewet blijkt dat het moet gaat om “ernstige en herhaaldelijke hinder” die redelijkerwijs niet “op een andere geschikte wijze” kan worden tegengegaan. Aangezien het hier gaat om een nieuwe wet, zal in de praktijk moeten blijken wat hieronder precies moet worden verstaan. Vooralsnog wordt aan de in de wet- en regelgeving gehanteerde begrippen als volgt invulling gegeven: De burgemeester legt pas een gedragsaanwijzing, in de zin van artikel 2:79 APV, op indien de overlast niet op een ‘andere geschikte wijze’ tegengegaan kan worden. Een andere geschikte wijze moet in de zin van het subsidiariteitsbeginsel worden opgevat. Het subsidiariteitsbeginsel bepleit dat er, indien dit mogelijk is, andere minder ingrijpende mogelijkheden zijn geprobeerd. Voorbeelden van minder ingrijpende mogelijkheden zijn: mediation, het geven van een waarschuwing of een andere maatregel die als doel heeft de beëindiging van de overlast. De mogelijkheden die in een concreet geval van toepassing zijn zullen uiteraard per geval kunnen verschillen. In de bijlage zijn enkele mogelijkheden opgesomd. Op het moment dat de burgemeester van mening is dat alle mogelijkheden onvoldoende soelaas bieden (hetgeen zal moeten blijken uit het dossier), legt hij de gedragsaanwijzing op. De gedragsaanwijzing, gegeven door de burgemeester, geldt dus als ultimum remedium. Dit betekent ook dat, in geval het gaat om een huurwoning, de verhuurder (woningbouwcorporatie) in beginsel als eerste aan zet is om een oplossing te zoeken voor de overlast. De verhuurders zijn bij wet verantwoordelijk voor het woongenot van hun huurders. Vanwege deze wettelijke taak zijn zij in eerste aanleg aan zet en niet de gemeente. Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts. Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan de gebruiker van de woning. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning te hebben en hoeft niet de rechtmatige bewoner van de woning te zijn. Ook een regelmatige gast, een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel. Met gedragingen in of vanuit die woning of dat erf worden bedoeld gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimiderende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel gedragingen in of vanuit die woning of dat erf. Duidelijk moet in ieder geval zijn dat de gedragingen vanuit de woning of het erf worden gepleegd. Het intimiderende gedrag van de overlastpleger moet dus wel voor de deur van de buurman worden gepleegd, niet voor de deur van iemand die vijf straten verderop woont. Dan is geen sprake meer van gedragingen vanuit de woning of het erf. In de APV is bepaald dat degene die een woning of erf gebruikt er zorg voor moet dragen dat er geen gedragingen plaatsvinden die tot overlast impliceren. Met omwonenden wordt bedoeld de mensen die in de directe nabijheid wonen van de woningen waarvandaan de overlast plaatsvindt. Met ernstig worden gehinderd wordt gedoeld op ernstige hinder voor de omwonenden. Een vergelijking kan worden gemaakt met artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waar onder hinder gedragingen worden verstaan zoals het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen of het onthouden van licht of lucht. Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat is geen vereiste. En andersom zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet. Met herhaaldelijke hinder wordt bedoelt dat de hinder terugkerend is. Dit is niet hetzelfde als ‘ernstige hinder zonder onderbreking’. De burgemeester zet geen gedragsaanwijzing in als het om één incident gaat. De burgemeester is bevoegd om een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen. Dit mag alleen opgelegd worden indien de hinder redelijkerwijs en niet op een andere manier kan worden tegengegaan. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan (in dit geval de burgemeester) dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen ook een last onder dwangsom opleggen. De burgemeester zal per geval maatgericht te werk gaan. Mocht deze ‘maatwerkaanpak’ niet werken dan kan overgegaan worden tot sluiting van de woning. Het uitvaardigen van een tijdelijk huisverbod is als gedragsaanwijzing een ultimum remedium. De periode waarin betrokkene uit huis is geplaatst kan worden benut om te onderzoeken welke hulpverlening mogelijk en/of nodig is. Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de gedragsaanwijzing te begrijpen en te kunnen uitvoeren. Het heeft immers geen zin om een persoon met psychische klachten en/of een verstandelijke beperking een gedragsaanwijzing op te leggen als die persoon niet bij machte is hieraan gehoor te geven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel