Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Verlagingen voor gehuwden

Onderdeel van Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand 2004

De bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar wordt lager vastgesteld indien de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de kosten met een ander. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het wettelijk minimumloon per inwonende, of per inwonend echtpaar, met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld. De verlaging in verband met de aanwezigheid van meer dan één inwonende, of inwonend echtpaar, met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bedraagt 20% van het wettelijk minimumloon. De bijstandsnorm voor gehuwden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor de belanghebbenden geen kosten zijn verbonden. De verlaging als bedoeld in het derde lid bedraagt 20% van het nettominimumloon. Artikel 5. Individualisering Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm vindt plaats onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand. Artikel 6. Uitvoering door het college van de gemeente Lelystad Het college van de gemeente Lelystad is belast met de uitvoering van deze verordening. Artikel 7. Naamgeving Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand”. Artikel 8. Ingangsdatum Deze verordening treedt in werking 1 april 2004. Lelystad, 12 februari 2004. De raad van de gemeente Lelystad, de griffier, de voorzitter, Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand Memorie van toelichting, algemeen deel Met ingang van 1 januari 1996 trad de Algemene bijstandswet (Abw) in werking. In deze Algemene bijstandswet werd de basisnorm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders verlaagd met 20%. In verband hiermee werden in de wet bepalingen opgenomen voor de verhoging van de bijstandsnorm (met een toeslag) voor alleenstaanden of alleenstaande ouders “voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander”. De basisnorm voor gehuwden bleef gehandhaafd op 100% van het wettelijk minimumloon. In verband hiermee werden in de wet bepalingen opgenomen voor de verlaging van de bijstandsnorm voor gehuwden “voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander”. De Algemene bijstandswet bepaalde voorts dat het gemeentebestuur bij verordening moest vaststellen voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de verhoging of verlaging wordt bepaald. In Lelystad werd één en ander vastgelegd in de “Verordening algemene bijstand Lelystad” (veelal aangeduid als “Toeslagenverordening”). Met ingang van 1 januari 2004 wordt de Algemene bijstandswet vervangen door de Wet Werk en Bijstand (WWB). In de nieuwe Wet Werk en Bijstand zijn eveneens bepalingen opgenomen met betrekking tot de verhoging of de verlaging van de bijstandsnorm “wegens het niet of niet geheel kunnen delen van de kosten met een ander”. De bepalingen in de WWB komen inhoudelijk exact overeen met de bepalingen in de Abw. Ook is weer vastgelegd dat de regels voor het verhogen of verlagen van de norm bij verordening moeten worden vastgelegd (door de gemeenteraad). De op grond van de Wet Werk en Bijstand vast te stellen verordening voor de verhoging of verlaging van de algemene bijstand kan inhoudelijk geheel overeenstemmen met de verordening welke werd vastgesteld op grond van de Algemene bijstandswet. Immers, de aan de verordening ten grondslag liggende wettelijke bepalingen zijn inhoudelijk niet gewijzigd, terwijl de praktijk sinds 1 januari 1996 heeft uitgewezen dat de op grond van de Algemene bijstandswet vastgestelde (per 23 september 2000 gewijzigde) Lelystadse verordening goed voldoet. Ook de aan de verordening ten grondslag liggende algemene beleidsstandpunten van de gemeente Lelystad blijven ongewijzigd, te weten: Forfaitair bedrag: De verhoging of verlaging van de algemene bijstand geschiedt met 10% van het minimumloon per medebewoner met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld. De verhoging of verlaging wordt dan ook niet vastgesteld op basis van de vaststelling van de werkelijke gezamenlijke kosten. Ook indien een onderhuurder een (te) hoge onderhuur betaalt (dus hoger dan bij strikte deling der kosten noodzakelijk zou zijn) wordt de toeslag voor alleenstaanden of alleenstaande ouders verlaagd met 10%. Immers, uit het feit dat een bijdrage in de woonlasten wordt betaald, blijkt dat de lasten worden gedeeld. Het feit dat de onderhuur hoger is dan bij een eerlijke deling van de kosten nodig zou zijn, rechtvaardigt geenszins verhoging van de toeslag, want een ongekorte toeslag is slechts toegestaan indien de kosten niet worden gedeeld. Voor de te hoge onderhuur kan wellicht het instrument van de bijzondere bijstand worden toegepast, maar het probleem van de extra lasten van de onderhuurder in verband met de te hoge onderhuur kan niet worden opgelost door verhoging van de algemene bijstand in het kader van deze verordening. Verhoging én verlaging maximaal 20%: Artikel 25 lid 2 WWB bepaalt dat de verhoging van de algemene bijstand voor alleenstaanden en alleenstaande ouders maximaal 20% van het nettominimumloon mag bedragen. Voor de verlaging van de algemene bijstand voor gehuwden is hierbij aangesloten: de verlaging bedraagt maximaal 20% van het minimumloon. Ontbreken woonlasten: Bij het ontbreken van woonlasten wordt aan alleenstaanden of alleenstaande ouders geen toeslag verstrekt, terwijl de norm voor gehuwden (of samenwonenden) wordt gekort met 20% van het minimumloon. Door wie de woonlasten worden betaald, en hoe hoog die woonlasten zijn, is niet van belang. Indien bijvoorbeeld de ex-echtgenoot de woonlasten betaalt (veelal gedurende de echtscheidingsprocedure), dan wordt niet bezien welke kosten de ex-echtgenoot maandelijks heeft in verband met de door hem betaalde woonlasten. Louter de situatie van de belanghebbende (woonachtig in een woning waarvoor geen woonlasten zijn verbonden) is van belang, niet de financiële lasten van de niet-bijstandsgerechtigde ex-echtgenoot. Schoolverlaters: Net als de Algemene bijstandswet biedt ook de Wet Werk en Bijstand de mogelijkheid de toeslag of de norm gedurende maximaal 6 maanden te verlagen voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding. Van deze mogelijkheid wordt in Lelystad geen gebruik gemaakt omdat: het verleden heeft bewezen dat een schoolverlatersregeling leidde tot een chaotisch en onoverzichtelijk normensysteem; de toeslag voor jongeren tot en met 20 jaar al niet mogelijk is terwijl de norm voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar al is verlaagd tot de norm voor thuiswonenden (eventueel te verhogen met bijzondere bijstand voor de algemene bestaanskosten wegens bijzondere omstandigheden); de toeslag voor jongeren van 21 jaar op grond van deze verordening al niet kan worden verstrekt; verlaging van de bijstand, louter omdat voorafgaande aan de bijstandverlening onderwijs of een beroepsopleiding werd gevolgd (en dus een laag inkomen werd genoten), leidt tot rechtsongelijkheid ten opzichte van jongeren die voorafgaande aan de bijstandsverlening niet studeerden maar bijvoorbeeld werkten, of een andere uitkering genoten, of een zwervend bestaan leiden, of gedetineerd waren. Jongeren van 21 of 22 jaar: Artikel 29 WWB biedt de mogelijkheid de toeslag voor alleenstaanden van 21 of 22 jaar te verlagen “voor zover het college van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid”. In de op de Abw gebaseerde “Verordening algemene bijstand” werd de toeslag voor jongeren van 21 jaar vastgesteld op 0% en die voor jongeren van 22 jaar op maximaal 10%. Indien een hogere toeslag zou worden verstrekt, dan zou het inkomen uit een dienstbetrekking in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden nauwelijks hoger zijn dan het inkomen op grond van de Algemene bijstandswet, waardoor de financiële stimulans om de Wiw-dienstbetrekking te aanvaarden nauwelijks nog aanwezig zou zijn. Hetzelfde bezwaar is ook onder de Wet Werk en Bijstand onverkort van kracht (). Om deze reden wordt de toeslag voor jongeren van 22 jaar in de verordening dan ook beperkt tot 10%, terwijl geen toeslag kan worden verstrekt aan jongeren van 21 jaar. 6.Geen onderscheid tussen kostgangers, onderhuurders en woningdelers: In Lelystad wordt als sinds jaar en dag geen onderscheid gemaakt tussen onderhuurders (commercieel of niet-commercieel), kostgangers of woningdelers. Het gaat louter om medebewoners die een bijdrage in de lasten kunnen leveren. Ook verzorgingsbehoeftige medebewoners kunnen een bijdrage leveren in de lasten. Omdat het bij de verhoging of verlaging van de bijstand louter gaat om financiële overwegingen, wordt de vraag of een medebewoner al dan niet verzorgingsbehoeftig is niet bij de beoordeling betrokken. 7.Feitelijke kostendeling niet van belang: 7. De Memorie van toelichting bij de Wet Werk en Bijstand zegt letterlijk: 7. “Bij de beoordeling of de belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt”. Dit volgt rechtstreeks uit de wet waar immers telkens wordt gesproken over het “kunnen delen” van de kosten met een ander. 7. Dit uitgangspunt wordt in Lelystad onderschreven, waarbij wordt opgemerkt dat wordt aangenomen dat de kosten kunnen worden gedeeld met een ander, die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, indien die ander kan beschikken over voldoende middelen voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Pas dán kan de ander geacht worden daadwerkelijk in staat te zijn de kosten te delen. Met het oog hierop is in art. 1 lid 4 van de verordening vastgelegd dat de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft (en die geen deel uitmaakt van de gezamenlijke huishouding) indien het inkomen van die ander gelijk is aan of hoger is dan de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet studiefinanciering 2000, vermeerderd met 10% van het wettelijk minimumloon. Memorie van Toelichting, artikelsgewijs

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel