1.. Burgemeester en wethouders stellen aan de hand van de bij de aanvraag overgelegde informatie vast of er een noodzaak voor kinderopvang aanwezig is en wat de omvang daarvan is.

2.. In afwijking van het eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders voor het vaststellen van de noodzaak en de omvang van de kinderopvang een onafhankelijke instantie om advies vragen.