Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo, en bedoeld in artikel 6 van de jeugdwet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem of zijn ouders een afspraak voor een gesprek.
Voor het gesprek verschaffen de cliënt, jeugdige en zijn ouders het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt, jeugdige en/of zijn ouders verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
Als de cliënt, jeugdige en/of zijn ouders genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt, jeugdige en/of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
het college brengt de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.
Artikel 3.
Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp