1.. Aan de politiechef van de Nationale Politie, regionale eenheid Oost-Nederland – en zijn plaatsvervangers – op te dragen het opleggen van een verblijfsontzegging zoals bedoeld in artikel 2.4.3, eerste en derde lid (bevel tot verwijdering in verband met overlast harddrugs), en artikel 3.2.6a, derde lid, van de APV (bevel tot verwijdering in verband met overlast straatprostitutie);

2.. Aan de politiechef van de Nationale Politie, regionale eenheid Oost-Nederland – en zijn plaatsvervangers – en de hulp officieren van Justitie op te dragen het opleggen van een verblijfsontzegging zoals bedoeld in artikel 2.4.3, tweede lid van de APV (bevel tot verwijdering van maximaal 48 uur in verband met overlast harddrugs);

3.. Te bepalen dat het onder punt 1 en 2 omschreven mandaat de ‘Instructies verblijfsontzegging harddrugs- en straatprostitutie gerelateerde overlast’ zoals vastgesteld op 12 oktober 2010, gepubliceerd op 27 oktober 2010, in werking getreden op 28 oktober 2010, in acht worden genomen;

4.. Te bepalen dat het onder punt 1 en 2 bedoelde mandaat– onder gelijktijdige intrekking van het op 10 juni 2014 genomen mandaatbesluit met zaaknummer 2014-06-00251 en documentnummer 2014.0.056.880 uitgezonderd de ‘Instructies verblijfsontzegging harddrugs- en straatprostitutie gerelateerde overlast’ welke onverkort van toepassing blijven - in werking treedt op de dag na die van bekendmaking.

5.. Te bepalen dat dit besluit kan worden aangehaald als ‘Besluit mandaat verblijfsontzegging harddrugs en straatprostitutie 2018’.