De raad kiest een commissie uit zijn midden tenminste acht weken
voor de gesprekken als bedoeld in artikel 3.
Plaatsvervangende leden worden niet benoemd.
Bij ziekte of langdurige afwezigheid van een commissielid kiest
de raad een vervanger.
De commissie benoemt uit haar midden een voorzitter en kan zich
laten bijstaan door een externe gespreksleider.