Naar hoofdinhoud

Artikel 6.

Uitgangspunten voor handhavend optreden

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen (BRP)

Voorwaarde voor het opleggen van een bestuurlijke boete is dat sprake is van verwijtbaar gedrag. De mate van verwijtbaarheid wordt volgens vaste jurisprudentie bepaald op grond van objectieve verwijtbaarheid en subjectieve verwijtbaarheid. Bij de objectieve verwijtbaarheid wordt gekeken naar de handeling van betrokkene of het nalaten daarvan. Bepalend is of feitelijk een regel is overtreden. Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon: wist de betrokkene of kon betrokkene redelijkerwijs weten dat hij een verplichting had moeten nakomen. De mate van verwijtbaarheid moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment dat betrokkene zijn verplichting had moeten nakomen. Artikel 5:41 Awb bepaalt dat uit het dossier moet blijken of sprake is van verwijtbaar gedrag. Het al dan niet bewust nalaten van het vervullen van verplichtingen, kan als verwijtbaar worden bestempeld. Aan de hand van feiten en omstandigheden kan dan worden bepaald in welke mate het niet voldoen aan de verplichting verwijtbaar is. Het college kan van het opleggen van een boete afzien of kan een boete matigen, indien: er sprake is van bijzondere in de regeling niet-voorziene omstandigheden die met zich brengen dat de gevolgen van handelen overeenkomstig de regeling onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de regeling te dienen doelen; het niet nakomen van een verplichting niet aan degene, die in overtreding is, kan worden verweten, omdat hij op het moment dat hij aan de verplichting moest voldoen, verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten om aan zijn verplichtingen te voldoen. Onder gelegenheidsgever wordt verstaan: degene die bewust verklaart of toelaat dat een persoon zich op zijn adres als wonend laat inschrijven zonder de intentie daar feitelijk te gaan wonen. Deze situatiemoet bij beiden bekend zijn. Aan deze gelegenheidsgever kan op grond van artikel 4.17 onder b van de Wet BRP ook een bestuurlijke boete worden opgelegd. Van belang is dat sprake is van verwijtbaar gedag en dat bewust gelegenheid wordt gegeven tot inschrijving op het woonadres van gelegenheidsgever. Of sprake is van gelegenheid geven zoals omschreven in de wet zal per geval worden bepaald. De bestuurlijke boete bedraagt € 325,00. De bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen vervalt drie jaar nadat de overtreding is begaan. Uitgangspunt is dat de overtreding wordt begaan bij constatering ervan door het college. Iedere dag dat de aangifteplicht niet wordt nageleefd, blijft de overtreding actueel. Doet een burger geen aangifte, dan overtreedt deze burger iedere dag opnieuw de wet. Zodra het college constateert dat de aangifteplicht niet wordt nageleefd, start de termijn van drie jaar waarbinnen een boete kan worden opgelegd. De termijn dat de burger zijn aangifteplicht niet heeft nageleefd, zorgt niet voor een verkorting van die termijn van drie jaar. Op grond van artikel 5:43 Awb kan een overtreding met één bestuurlijke boete worden beboet. Bij overtreding van de Wet BRP kan sprake zijn van meerdere overtredingen. Een burger doet bij voorbeeldgeen aangifte van verhuizing en verschijnt vervolgens niet nadat hij is opgeroepen. Hoewel sprake is van twee afzonderlijke beboetbare overtredingen, zal het college in dergelijke gevallen voor één overtreding een bestuurlijke boete opleggen. Minderjarigen tot 16 jaar mogen zelf geen aangifte doen van adreswijziging. Ook kan niet aan hen worden verzocht om inlichtingen te verstrekken of documenten te overleggen. De juridische vertegenwoordigers van die minderjarigen zijn verplicht om de uit de Wet BRP voortvloeiende verplichtingen voor deze minderjarigen te vervullen. Aan deze vertegenwoordigers zal het college als dit nodig is ook een bestuurlijke boete opleggen Als sprake is van meerdere juridische vertegenwoordigers (ouders, verzorgers, voogden) dan kan ieder afzonderlijk een boete worden opgelegd. Betaalt één van deze personen, dan zijn de anderen gevrijwaard van het betalen van de boete. Per geval zal worden bekeken of sprake is van meerdere juridische vertegenwoordigers en aan wie in dat geval het beste een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. De wet BRP verplicht een burger mee te werken aan het onderzoek dat door een ambtenaar namens het college wordt ingesteld. Bij het uitvoeren van die controlerende of toezichthoudende taak kan de medewerker een redelijk vermoeden krijgen van een overtreding van de Wet BRP waarvoor een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Een bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie. Dit betekent ondermeer dat een burger niet verplicht is mondelinge verklaringen af te leggen of vragen te beantwoorden over de overtreding als redelijkerwijs mag worden aangenomen dat sprake is van een overtreding waarvoor hij een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Op dat zwijgrecht moet de burger wel worden gewezen. Een dergelijke situatie kan zich niet alleen voordoen bij een controlebezoek maar ook bij een gesprek op het gemeentehuis naar aanleiding van een oproeping in het kader van de Wet BRP. Een toezichthouder, een BOA en medewerker aan de balie kan deze cautie afgeven. Een cautie moet worden gegeven vóórdat een onderzoek wordt voortgezet. Na een cautie is de burger niet langer verplicht te antwoorden of een verklaring af te leggen. In het dossier wordt vastgelegd dat de cautie is gegeven en op welk moment dat is gebeurd. Bij administratief onderzoek of als een burger schriftelijke gegevens, zoals legitimatie, bankafschriften en aktes verstrekt, kan geen beroep op het zwijgrecht worden gedaan. Het geven van een cautie is in die gevallen niet nodig. Tegen een ambtshalve opneming van een gegeven in de BRP kan bezwaar worden gemaakt. Een bezwaarprocedure is geen aanleiding om van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien. Tegen een besluit waarbij het college een bestuurlijke boete oplegt, kan bezwaar worden gemaakt. Tijdens de behandeling van bezwaar en eventueel later beroep wordt de vervaltermijn van de bestuurlijke boete opgeschort totdat er onherroepelijk over is beslist. Gedurende deze periode zal het college niet overgaan tot inning van de boete.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel