Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden komt in beeld, wanneer sprake is van:
Beperkingen in Activiteiten dagelijks leven. Dit betreft cliënten die door ziekte, handicap of ouderdom niet (meer) in staat zijn om hun huishouden (gedeeltelijk of helemaal) zelf te doen en niet in staat zijn het op een andere manier te regelen door bijvoorbeeld zelf een hulp in te huren of iemand uit hun omgeving in te zetten.
Beperkingen in Geestelijke gezondheid. Dit betreft cliënten die vanwege geestelijke problematiek of beperkte verstandelijke vermogens niet in staat zijn hun huishouden te doen en/of te organiseren en waarbij de kans op verwaarlozing aanwezig is of waar al verwaarlozing bestaat. Als cliënten geen andere oplossing via hun eigen omgeving of algemene voorzieningen hebben, dan komt een maatwerkvoorziening in beeld.
Beperkingen ten gevolge van verslaving. Hier kan verwaarlozing of negeren van noodzakelijke huishoudelijke taken een rol spelen. Ontregeling van het huishouden is aan de orde of dreigt. Cliënten hebben hulp bij huishoudelijke taken en begeleiding nodig bij het doen van de taken.
Het college biedt conform artikel 5 van de Verordening ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden als er voor het structureel verzorgen van het huishouden geen of niet in voldoende mate eigen mogelijkheden, gebruikelijke zorg, mantelzorg en/ of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn.
Ondersteuning bij de organisatie van het huishouden wordt ingezet wanneer de cliënt niet tot regie en planning van de huishoudelijke taken in staat is. Naast dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp een signalerende, aansturende en regievoerende taak. Ook kan de hulp ingezet worden voor het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. De hulp dient bij het uitoefenen van de ondersteuning zoveel mogelijk de cliënt te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de cliënt. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Onderdeel van het resultaatgebied is zodoende de signalerende functie aan de gemeente. De resultaten voor ondersteuning bij de organisatie van het huishouden krijgen vorm door het inzetten van een gespecialiseerde hulp (zie de hogere profielen).
Hoofdstuk 3 › Paragraaf
Artikel 3.2.2.1.