De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit na beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende 12 maanden na de datum van het besluit tot beëindiging of intrekking, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks al afloste tijdens de uitkeringsperiode.
Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn, wordt de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op:
indien het een fraudevordering betreft: het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid, vermeerderd met 50% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
indien het geen fraudevordering betreft: het bedrag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
Het bedrag van de maandelijkse aflossingscapaciteit is niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in het tweede boek, de tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking komt.
Hoofdstuk 3
Artikel 13.
Vaststelling duur en de hoogte maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden zonder uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Mook en Middelaar 2018