Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:
naar hun aard niet gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt;
niet bedoeld zijn als re-integratie-instrument;
worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en
niet leiden tot verdringing.
Hoofdstuk 3
Artikel 3