6.1 Hoe gaat het in zijn werk?
Soms moet een inwoner bepaalde kosten maken waarvoor hij geen geld heeft. Een inkomensconsulent van de gemeente kan dan samen met de inwoner nagaan hoe dat probleem het beste kan worden opgelost. De inkomensconsulent bespreekt met de inwoner het volgende:
Stap 1: Wat is het probleem van de inwoner precies?
Samen met de inwoner brengt de inkomensconsulent van de gemeente in kaart welk effect de inwoner wil bereiken. Wat vraagt de inwoner precies en wat is er nodig? Hoe groot en hoe ‘urgent’ is de hulpvraag van de inwoner? De inkomensconsulent betrekt daarbij de persoonlijke situatie van de inwoner. Soms is informatie van andere instanties nodig om een goed beeld te krijgen. Belangrijke vraag is: wat gebeurt er als het probleem niet wordt opgelost? Wat zijn dan de gevolgen voor de inwoner én voor zijn omgeving?
Stap 2: Wat is er nodig om het probleem op te lossen?
De inkomensconsulent beoordeelt samen met de inwoner hoe het beoogde effect bereikt kan worden: Wat is er echt nodig, wat kan de inwoner zelf doen (eigen kracht) en welke rol kunnen andere personen of organisaties spelen. Het past bij de grondwaarden van de Participatiewet om eerst te onderzoeken of de kosten via een andere organisatie of via het sociale netwerk kunnen worden vergoed. Als de inwoner via een andere regeling een vergoeding kan krijgen voor de kosten, dan gaat die voor. Zo’n regeling wordt ook wel een voorliggende voorziening genoemd. Bekende voorliggende voorzieningen zijn:
Zorgtoeslag, voor de kosten van de zorgverzekering
Huurtoeslag, voor de kosten van huur
Wmo, voor maatschappelijke participatie, zoals het kunnen voeren van een huishouding of voor mobiliteit in de directe omgeving
Soms heeft de inwoner hulp nodig om een andere voorziening aan te vragen. FINOK (Financiën op koers) kan helpen met het aanvragen van toeslagen en kwijtschelding financiën16. Gaat het om een voorziening van de gemeente, zoals de Wmo, dan zorgt de inkomensconsulent ervoor dat de vraag van de inwoner bij het juiste ‘loket’ terechtkomt.
Als er een voorziening is die de kosten voldoende vergoedt, dan hoeft de gemeente geen bijzondere bijstand te verstrekken. De voorziening is dan ‘passend en toereikend’. Als een voorliggende voorziening de kosten niet (voldoende) vergoedt, beoordeelt de inkomensconsulent of bijzondere bijstand moet worden ingezet.
16 Zie: https://www.financienopkoers.nl
Stap 3: Voor wiens rekening komen de kosten?
Als er geen andere mogelijkheden zijn om de kosten te betalen kan bijzondere bijstand in beeld komen. Kosten die niet noodzakelijk zijn, blijven voor rekening van de inwoner. Het ligt op de weg van de inwoner om de noodzaak aannemelijk te maken. Als dat de inwoner niet lukt, kan de consulent een deskundige te vragen om advies uit te brengen, bijvoorbeeld om de waarde van een bezitting te taxeren.
Noodzakelijke kosten moet de inwoner normaal gesproken uit het inkomen betalen. Dat is anders als er iets bijzonders aan de hand is. Bijzondere bijstand is bedoeld voor noodzakelijke kosten die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als de kosten onvoorzien of onvoorzienbaar hoog zijn, of als ze door allerlei betalingsverplichtingen niet kunnen worden betaald.
Hoe wordt bepaald welke kosten noodzakelijk en bijzonder zijn?
De inkomensconsulent bepaalt of de kosten ‘noodzakelijk’ en ‘bijzonder’ zijn. Belangrijk is daarbij de vraag: wat is het effect voor de inwoner als de gemeente de kosten wel/niet betaalt uit de bijstand? De inkomensconsulent betrekt daarbij de doelen die de gemeenteraad met het armoedebeleid heeft gesteld. Het is belangrijk dat:
Kinderen geen last hebben van armoede
Inwoners worden geholpen hun financiële zaken zelf te regelen
Inwoners met een laag inkomen kunnen meedoen aan activiteiten in de samenleving
Inwoners met een laag inkomen geen slechtere gezondheid hebben dan anderen
Jongeren een goede opleiding kunnen volgen en afronden
Het genomen besluit moet eraan bijdragen dat deze doelen worden bereikt.
In hoofdstuk 7 zijn kosten beschreven die veel voorkomen. Soms wordt van een kostensoort aangenomen dat deze noodzakelijk is en bijdraagt aan het behalen van de doelen van de gemeenteraad. Dat staat daar dan bij aangegeven.
Stap 4: Welke bijstand is er echt nodig?
De gemeente verstrekt niet meer bijstand dan echt nodig is. Wat er nodig is, is per situatie verschillend. Dat bespreekt de consulent met de inwoner. De gemeente bepaalt uiteindelijk wat nodig is. De bijstand vergoedt in principe de goedkoopste en meest eenvoudige uitvoering. Deze uitgangspunten vloeien voort uit de grondwaarden van de Participatiewet. Voor een aantal kosten zijn er normbedragen, bijvoorbeeld door het NIBUD. In principe zijn dat maximumbedragen, maar er kan vanaf worden geweken als dat nodig is (maatwerk). Als de gemeente bijstand verstrekt, dan hangt de hoogte van de bijstand af van de soort kosten, eventuele vergoedingen van andere organisaties en van de financiële situatie van de inwoner. Of de inwoner eigen geld kan inzetten staat hieronder.
Stap 5: Welke vorm heeft de bijzondere bijstand?
Bijzondere bijstand betaalt de gemeente in principe ‘om niet’ (als gift). Soms kan bijzondere bijstand als lening worden verstrekt. Dat is bijvoorbeeld zo als de bijstand bestemd is voor de aanschaf van huishoudelijke zaken als een wasmachine of koelkast. Bijzondere bijstand kan ook een lening zijn, als er op korte termijn voldoende geld voor de inwoner beschikbaar komt. Ten slotte kan de bijstand ook een lening zijn, als de inwoner schuld heeft aan het ontstaan van de kosten of als de inwoner de kosten had kunnen voorkomen.
Stap 6: Hoe kan bijzondere bijstand worden aangevraagd?
De gemeente heeft een aanvraagformulier vastgesteld. Daarmee kan de inwoner bijzondere bijstand aanvragen. Een hulpvraag voor bijzondere bijstand moet de inwoner zo snel mogelijk stellen aan de gemeente (Balie inkomen en zorg). Het is namelijk lastig om met terugwerkende kracht te beoordelen hoe de situatie precies is. De gemeente heeft daarom een termijn vastgesteld: binnen twee maanden na het ontstaan van de kosten moet de inwoner een aanvraag doen. De datum waarop de kosten zijn ontstaan is vaak terug te vinden op de factuur. Op de aanvraagdatum moet dan nog wel kunnen worden beoordeeld of de kosten noodzakelijk waren.
6.2 Hoe tellen het inkomen en vermogen mee?
Samen met de inwoner onderzoekt de consulent de financiële situatie. De inkomensconsulent beoordeelt of de inwoner de kosten zelf kan betalen. Als dat zo is, dan is het niet nodig om bijzondere bijstand te verstrekken. Als hulpmiddel om te beoordelen wanneer de kosten voor rekening van de gemeente kunnen komen, zijn de volgende uitgangspunten ontwikkeld.
Welk inkomen telt mee?
De gemeente sluit aan bij de Participatiewet. Wat de Participatiewet heeft vrijgelaten, telt voor bijzondere bijstand niet mee als inkomen. Daarnaast kijkt de gemeente alleen naar het inkomen dat echt beschikbaar is. Als er loonbeslag op het inkomen ligt, dan geldt de beslagvrije voet als inkomen. Dat is ook zo, bij een wettelijke of minnelijke schuldregeling.
Als de inwoner een inkomen heeft op bijstandsniveau, dan hoeft de inwoner uit zijn inkomen niets bij te dragen aan de kosten. Ligt het inkomen boven de bijstandsnorm, dan kan het zijn dat de inwoner een deel van zijn inkomen moet bijdragen aan de kosten. Dat is de inbreng van de inwoner, en wordt ook wel draagkracht genoemd. Uitgangspunt is dat de inwoner 25% van het inkomen boven de bijstandsnorm aan de kosten bijdraagt. Bij schuldensituaties kan een budgetplan worden opgevraagd om te beoordelen of er ruimte is in het budgetplan om bepaalde kosten te betalen.
Tellen uitgaven mee?
Bij het vaststellen van het inkomen kan de gemeente bepaalde noodzakelijke uitgaven soms aftrekken van het inkomen. Het gaat in ieder geval om de eigen bijdrage die inwoners aan het CAK betalen voor zorg. Maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om kosten die erg hoog zijn in vergelijking met andere huishoudens en waar de inwoner niet aan kan ontkomen. Per situatie beoordeelt de inkomensconsulent dit.
Hoe wordt de inbreng van de inwoner berekend?
De inbreng bereken je in principe over de drie kalendermaanden die voorafgaan aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt. Is het inkomen inmiddels sterk gewijzigd, dan kan van een latere kalendermaand worden uitgegaan (bijv. de maand van aanvraag of de huidige maand).
Voorbeeld: Inwoner vraagt bijzondere bijstand aan voor reiskosten naar een partner in een inrichting. De reiskosten bedragen € 40,- per maand. Er zijn geen andere mogelijkheden om de kosten te betalen. Het inkomen ligt € 100,- boven de bijstandsnorm. Er zijn geen bijzondere uitgaven.
- maandinkomen (incl. v.t.):
€ 1.000,-
- bijstandsnorm (incl. v.t.):
€ 900,- -/-
---------------------------
--------------------
- Meerinkomen per maand:
€ 100,-
Inbreng inwoner:
25% van € 100,-
- Inbreng per maand:
€ 25,-
- Reiskosten per maand:
€ 40,-
- Bijstand per maand:
€ 15,-
- Overblijvende inbreng:
€ 0,-
Bij een volgende aanvraag voor bijzondere bijstand die binnen 12 maanden wordt ingediend, houden we rekening met de overgebleven inbreng (in het voorbeeld nihil). Als het inkomen (en het vermogen) of de omstandigheden inmiddels sterk veranderd zijn, kan een nieuwe berekening van de inbreng worden gemaakt. Dit is ter beoordeling van de inkomensconsulent.
Vermogensgrenzen
Het vermogen stellen we vast op dezelfde manier als voor de algemene bijstandsuitkering. Schulden trekken we daar vanaf. Het overblijvende vermogen telt niet mee als het onder de vermogensgrenzen uit de Participatiewet blijft. Ligt het vermogen daarboven dan kun je soms toch bijstand krijgen. Dat is bijvoorbeeld zo, als de inwoner op korte termijn hoge kosten moet maken, zodat het vermogen onder de vermogensgrens zal dalen.
Vermogen in de woning
Als de inwoner in een eigen huis woont, kijken we of er overwaarde is. Overwaarde telt niet mee als het onder de speciale vrijlatingsgrens voor de eigen woning in de Participatiewet valt. Is de overwaarde in de woning hoger, dan hangt het van de situatie af of we bijstand kunnen toekennen (maatwerk). We gaan er vanuit, dat als de gevraagde bijstand lager is dan € 1.200,-, de overwaarde niet meetelt. Daarboven kan het anders liggen. Dat is ondermeer afhankelijk van de hoogte van de overwaarde, de leeftijd van de inwoner, de gezinssituatie, de aard en verkoopbaarheid van de woning, etc.
Artikel 6.
Bijzondere bijstand – het vangnet voor bijzondere kosten
Onderdeel van Beleidsregels armoedebestrijding gemeente Kampen 2018