Naar hoofdinhoud
In de uitnodiging voor het afleggen van de ambtseed wordt de ambtenaar gevraagd of hij de ambtseed wil afleggen in de vorm van een gelofte “dat verklaar en beloof ik” of in de vorm van een religieuze eed. Het moet daarbij duidelijk zijn dat de belofte zelf, zoals die door iedereen wordt afgelegd, vrij is van godsdienstige verwijzingen. Aan de eventuele godsdienstige verwijzing wordt dan ook geen enkele inhoudelijke morele autoriteit toegekend. De betekenis voor de ambtenaar om een godsdienstige verwijzing te maken is dat hij op die manier de eed voor zichzelf bekrachtigt. Hij versterkt daarmee zijn wilskracht om datgene te doen wat de eed van hem vraagt. In de meeste gevallen zullen gelovigen uitkomen met de vastgestelde christelijke of islamitische verwijzing. Mocht de ambtenaar een verwijzing willen maken naar een andere godsdienst, dan moet dit mogelijk zijn.

Rechtspraak bij dit artikel