Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf

Artikel 2:11

Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke verordening van De Fryske Marren 2018

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of door het college middels een vergunning of instemmingsbesluit, ingeval activiteiten als bedoeld in het eerste lid betreft het leggen, onderhouden of verwijderen van kabels en leidingen door of ten behoeve van een nuts- of telecombedrijf, waarbij een sleuflengte van 10 meter of meer noodzakelijk is: of door het college in de overige gevallen. In afwijking van lid 1 en lid 2 onder b kan, ingeval de activiteit betreft het leggen, onderhouden of verwijderen van kabels en leidingen, worden volstaan met een melding aan het college, indien de bij de activiteit behorende sleuflengte minder dan 10 meter bedraagt. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Het college kan nadere regels stellen omtrent het aanleggen, beschadigen en/of veranderen van een weg. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Gemeentelijke verordening Kabels en leidingen. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel