Lid 1
Medewerkers die niet volgens een werkrooster werken, zijn flexibel in het realiseren van de feitelijke arbeidsduur.
Lid 2
Voor het bepalen van de fictieve arbeidsduur wordt uitgegaan van het aantal uur zoals vastgelegd in het basisrooster , dan wel van het aantal uur zoals overeengekomen.
Lid 3
Bij het realiseren van de feitelijke arbeidsduur moet de werktijd door pauzes worden onderbroken. Dit houdt in dat de medewerker minimaal een kwartier pauze neemt op het moment dat hij 5,5 uur werkt en een tweede kwartier op het moment dat hij 7,2 uur werkt. De pauze van in totaal minimaal 30 minuten mag ook aaneengesloten worden opgenomen in ieder geval op het moment dat hij 5,5 uur werkt.
Er moet in totaal minimaal 45 minuten pauze zijn genomen als de medewerker 10 uur op een dag werkt.
Lid 4
Bij het realiseren van de feitelijke en fictieve arbeidsduur is de medewerker gehouden aan de afspraken over de bezetting en bereikbaarheid tijdens de dienstverleningstijd en aan hetgeen daaromtrent in de Arbeidstijdenwet en artikel 4:4 van de CAR/UWO is vastgelegd.
Lid 5
Indien de medewerker buiten het dagvenster, zoals beschreven in artikel 4:2 van de CAR/UWO werkzaamheden moet verrichten, komt hij in aanmerking voor de buitendagvenstervergoeding zoals beschreven in artikel 3:12, lid 1 CAR-UWO. Deze vergoeding bedraagt per gewerkt uur een percentage van het uurloon, zoals beschreven in artikel 3:12, lid CAR-UWO. De gewerkte uren buiten het dagvenster worden in tijd gecompenseerd. De medewerker maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende.