Een bestuurlijke boete kan worden opgelegd wanneer de persoon een verwijtbare gedraging heeft begaan.
In het geval dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, kan er geen bestuurlijke boete worden opgelegd.
Het ontbreken van verwijtbaarheid wordt in beginsel niet aangenomen, in de volgende situaties waarin de overtreder:
al eerder een zelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 van de wet heeft begaan;
de inhoud van de correspondentie van de gemeente zegt niet te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal;
er wordt gesteld dat overtreder niet bekend is met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet;
niet kan aantonen dat de verplichtingen in een eerder stadium wel zijn voldaan;
stelt langere tijd niet in staat te zijn geweest zijn belangen te behartigen, doordat hij tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook verstaan tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;
stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen;
aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op zijn adres, terwijl vastgesteld is dat hij er niet woont.
Artikel 3
Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden
Onderdeel van Beleidsregel bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen (Wet BRP) gemeente Voorst