Naar hoofdinhoud
1.. De burgemeester trekt de vergunning in, indien: blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens is verleend en de vergunning niet zou zijn verleend als de juiste en/of volledige gegevens waren verstrekt; de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 9, onder b, d, e, f , g en/of h; de vergunninghouder niet langer gerechtigd is om over de ruimte te beschikken. 2.. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien: de bij of krachtens titel VA van de Wet gestelde bepalingen of de bepalingen van deze verordening worden overtreden; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan 26 weken wordt onderbroken. 3.. De burgemeester kan de vergunning voorts intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voordat toepassing wordt gegeven aan deze intrekkingsgrond, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel