Wettelijk gezien dient het beleid in ieder geval gericht te zijn op de kinderen waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben. Vanaf 2019 wordt dit uitgebreid met meerdere omgevingskenmerken: opleidingsniveau van de moeder en de vader, gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op de school, het land van herkomst van de ouders, de verblijfsduur van de moeder in Nederland en of gezinnen gebruik maken van schuldsanering. De gemeente Krimpenerwaard gaat uit van een bredere doelgroep formulering, omdat onderwijsachterstanden (op het gebied van taal, rekenen en sociaal-emotioneel) niet alleen kunnen worden veroorzaakt door de genoemde omgevingskenmerken.
Een kind in de leeftijd van 2 - 6 jaar behoort tot de doelgroep als het minimaal aan één van de volgende criteria voldoet:
Het opleidingsniveau van één of beide ouders/verzorgers is lager dan mbo-3 niveau.
Er is sprake van een taalarme omgeving: er wordt thuis met een kind weinig of niet in de Nederlandse taal gepraat, gespeeld of voorgelezen. Uitgezonderd een kind dat geen Nederlandstalig basisonderwijs gaat volgen.
Andere redenen, te baseren op het Balansmodel van Bakker (een overzicht van beschermende en risicofactoren) waaruit blijkt dat het kind baat zou kunnen hebben bij voorschoolse educatie. Meestal gaat het hier om een thuissituatie die het risico op een (taal)achterstand vergroot door een negatieve verhouding in de draagkracht en draaglast.
Vanuit de JGZ wordt de GIZ-methodiek gebruikt om met ouders samen te kijken wat het kind nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. GIZ staat voor Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften omdat de zorgen samen met ouders en jongeren in kaart worden gebracht. Er wordt ook gekeken naar de sociaal-emotionele ontwikkeling en naar de financiële situatie van het gezin (bijvoorbeeld schuldsanering).
Niet alle doelgroepkinderen krijgen een VVE indicatie. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) bepaalt op basis van de definitie welke peuter een doelgroeppeuter is en geeft, wanneer nodig, een indicatie af voor VVE. De JGZ speelt een belangrijke rol in het toeleiden van doelgroepkinderen naar voorschoolse voorzieningen. Hierbij is het van belang goed onderscheid te maken tussen zorgkinderen (kinderen met een specifieke hulpvraag/ondersteuningsbehoefte, bijvoorbeeld een lichamelijke/geestelijke beperking of een chronische ziekte) en VVE kinderen. De Sociaal Medische Indicatie (zie 3.3.1) kan ingezet worden bij punt 3 en 4 van de criteria, als blijkt dat er geen achterstand is bij het kind maar vanuit de medische/psychische situatie van ouders wel urgentie voor kinderopvang is en zij niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1.1
Doelgroep definitie voorschoolse educatie
Onderdeel van Notitie onderwijsachterstandenbeleid 2018-2021 Gemeente Krimpenerwaard